Wekedelentumoren

Wekedelentumoren zijn tumoren in de weke delen. Tumoren in de weke delen kunnen goedaardig of kwaadaardig zijn. Meestal zijn ze goedaardig.

Weke delen zijn weefsels die onder de huid, rondom de organen en botten en in de ruimtes daartussen zitten. Bijvoorbeeld:
  • steunweefsel
  • spierweefsel 
  • perifeer zenuwweefsel

Goedaardige wekedelentumoren

Goedaardige tumoren zijn meestal goed begrensd, groeien niet door andere weefsels heen en verspreiden zich niet door het lichaam. Wel kan zo’n tumor tegen omliggende weefsels drukken. Dit kan zo hinderlijk of pijnlijk zijn dat de tumor verwijderd moet worden.

Kwaadaardige wekedelentumoren

Kwaadaardige wekedelentumoren heten wekedelensarcomen. Bij deze tumoren is de celdeling zodanig beschadigd, dat het lichaam deze celdeling niet meer onder controle krijgt en de cellen ongeremd blijven groeien. Er ontstaat dan een zwelling. De kwaadaardige cellen drukken niet alleen tegen de omliggende weefsels aan, maar kunnen er ook ingroeien. Ook kunnen kwaadaardige cellen zich verspreiden via bloed- en lymfevaten naar andere delen van het lichaam, vooral de longen. Heeft u een kwaadaardige tumor? Dan wordt bij de diagnose gekeken of de tumor ook is uitgezaaid naar andere delen van het lichaam. 

Waar in het lichaam?

Wekedelentumoren kunnen op allerlei plaatsen in het lichaam ontstaan. Ze komen het meest voor:
  • in de benen: 40%, waarvan driekwart in de bovenbenen
  • in de borst en de buik: 25%
  • in de armen: 15%
  • in het hoofd/halsgebied: 10-15%

Typen

Er zijn verschillende soorten wekedelentumoren. De kwaadaardige soorten (sarcomen) zijn ingedeeld naar het soort cellen waaruit ze bestaan. De meest voorkomende soorten zijn:
  • Angiosarcoom: kwaadaardige tumor van bloedvaten of lymfevaten. Is de kanker ontstaan in een bloedvat, dan heet het hemangiosarcoom. Is het begonnen in een lymfevat, dan heet het lymfangiosarcoom.
  • Liposarcoom: kwaadaardige tumor van vetcellen. Hij ontstaat meestal na het 40e jaar.
  • Leiomyosarcoom: kwaadaardige tumor van gladde spiercellen. De tumor komt voor in bijvoorbeeld de baarmoeder, de huid en de bloedvaten.
  • Synoviosarcoom: deze kwaadaardige tumor komt vooral voor in de benen. Hij lijkt op weefsel in pezen, gewrichtskapsels en uiteinden van spieren. De tumor komt het meest voor bij mensen tussen de 20 en 40 jaar.
  • Maligne perifere zenuwschedetumor: deze kwaadaardige tumor ontstaat uit omhulsels van zenuwen die door het lichaam lopen.
  • Kaposisarcoom: kwaadaardige tumor die het meest voorkomt in de huid. Het kaposisarcoom komt met name voor bij mannen met aids. Deze vorm kan overal in het lichaam ontstaan. Het is veel agressiever dan het kaposisarcoom dat voorkomt bij mensen zonder aids. Toen aids nog niet veel voorkwam, kwam het kaposisarcoom in Nederland nauwelijks voor. Als dit al voorkwam was dit vrijwel uitsluitend bij oudere mannen. Het sarcoom ontstond vooral in de huid van het onderbeen en was zichtbaar als een rode verdikking. Het verloop was heel langzaam. Slechts weinig patiënten overleden eraan.
  • Gastro-intestinale stroma tumoren (GIST): kwaadaardige tumoren uit de bindweefsellaag van het maag-darmstelsel. De tumor verspreidt zich voornamelijk in de buikholte en in de lever.
  • Ewingsarcoom: kwaadaardige tumor in of bij het bot en soms in de weke delen. Komt vooral voor bij kinderen. Maar kan ook bij (jong) volwassenen ontstaan.
  • Rabdomyosarcoom: kwaadaardig gezwel van dwarsgestreept spierweefsel. Deze kankersoort komt bijna alleen bij kinderen voor.
  • Ongedifferentieerd pleiomorf sarcoom (UPS): een zeldzame, kwaadaardige tumor in het bot of in bindweefsel. Voorheen Maligne fibreus histiocytoom (MFH) genoemd. In deze tumoren zitten kenmerken van verschillende typen sarcomen. Ze vallen daarom ook de tumoren ‘Not Otherwise Specified’ (NOS). De Nederlandse vertaling wordt minder vaak gebruikt: ‘niet nader te classificeren’. Het komt het meest bij ouderen voor en ontstaat vooral in de benen.
  • Baarmoedersarcoom: tumor in het bindweefsel of in het spierweefsel van de baarmoeder (uterus).

Borderline-tumoren

Borderline-tumoren hebben een plaatselijk agressieve manier van groeien, maar leiden zeer zelden tot uitzaaiingen. Vanwege de groeiwijze worden ze meestal behandeld als een wekedelensarcoom.
 
Er zijn verschillende soorten borderline-tumoren. Fibromatosen zijn de grootste groep. De bekendste borderline-tumor is agressieve fibromatose, ook wel desmoïd genoemd. Dit is een woekering van bindweefsel. Uitzaaiingen zijn hierbij zeldzaam.

Ook reusceltumoren van de pezen en gewrichten vallen onder de borderline-tumoren. Eerder werden deze tumoren PVNS genoemd. Ze komen voor in en rond de grote en kleine gewrichten. Tegenwoordig worden deze tumoren diffuus type- en tenosynoviale reusceltumoren genoemd. 

Weke delen

Weke delen zijn weefsels. Ze zitten:
  • onder de huid
  • rondom de organen en botten
  • in de ruimtes daartussen

Een weefsel is een groep cellen met dezelfde bouw en functie. Het lichaam bestaat uit verschillende soorten weefsels. Elk soort weefsel maakt een bepaalde lichaamsfunctie mogelijk. Zo kan longweefsel zuurstof opnemen. En spierweefsel spieren doen samentrekken.
 
Weke delen zijn onder andere:
  • steunweefsel
  • spierweefsel
  • perifeer zenuwweefsel: dit zijn de uitlopers van het centrale zenuwweefsel

Steunweefsel

Steunweefsel biedt het lichaam stevigheid en voorkomt beschadigingen. De belangrijkste typen steunweefsel zijn:
  • Bindweefsel. Dit weefsel kan makkelijk vervormbaar of stevig zijn:
    - Makkelijk vervormbaar bindweefsel ligt rond organen, zenuwen en bloedvaten en tussen spieren. Een ander woord voor makkelijk vervormbaar is losmazig.
    - Stevig bindweefsel komt voor in wanden van bloedvaten en op plaatsen die belangrijk zijn voor uw beweging. Bijvoorbeeld kniebanden, pezen en gewrichten.
  • Vetweefsel. Dit weefsel bestaat uit cellen gevuld met vet. Het bevindt zich op diverse plaatsen in uw lichaam en heeft uiteenlopende functies:
    - Net onder de huid isoleert vetweefsel warmte.
    - Rond de nieren en in de buikwand dient vetweefsel als reserve voor extreme situaties. Bijvoorbeeld dreigende verhongering.
    - vetweefsel biedt steun in de voetzolen, handpalmen, billen, oogkassen en wangen.

Spierweefsel

Spierweefsel heeft als eigenschap dat het zich kan aanspannen. Daardoor kan het lichaam allerlei bewegingen maken. Spierweefsel is ingedeeld in dwarsgestreept spierweefsel en glad spierweefsel.
  • Dwarsgestreept spierweefsel: onder de microscoop zijn dwarsstrepen zichtbaar in de spiervezels. Dit spierweefsel zorgt ervoor dat u kunt bewegen. Dit zijn bewegingen die u bewust aanstuurt. Bijvoorbeeld lopen of iets vastpakken.
  • Glad spierweefsel: dit bestaat uit vezels zondermicroscopische strepen. Dit spierweefsel maakt bewegingen die we niet bewust aansturen. Bijvoorbeeld het samentrekken van de maagwand voor de voortstuwing van voedsel naar de darmen.

Zenuwweefsel

Zenuwweefsel bevindt zich in:
  • de hersenen
  • het ruggenmerg: dit is het centrale zenuwstelsel
  • andere plekken in het lichaam: het perifere zenuwstelsel

Zenuwweefsel heeft vooral een geleidende functie: het transporteert prikkels. Bijvoorbeeld:
  • Van de hersenen naar de spieren. Hierdoor kunt u zich bewegen.
  • Vanuit de huid naar de hersenen. Hierdoor kunt u warmte, kou en pijn voelen.

Deze  geleiding gaat via uitlopers van zenuwcellen. Om de zenuwcellen zitten steuncellen.

Met elkaar vormen de zenuwcellen, uitlopers en steuncellen een indrukwekkend netwerk dat tot  zeer snelle geleiding van prikkels in staat is.