Veelgestelde vragen over prostaatkanker

Deze informatie is gecontroleerd door deskundigen.

Naar colofon

Opslaan

Heb je vragen over prostaatkanker? Professor Chris Bangma, uroloog en hoogleraar bij het Erasmus MC Rotterdam, beantwoordt ze hier. Staat je vraag er niet tussen? Stel hem dan aan prof. Bangma.

Vragen over de diagnose prostaatkanker

Vragen over PSA

Vragen over anti-hormonale therapie bij prostaatkanker

Vragen over de behandeling van prostaatkanker

Vragen over de gevolgen van de behandelingen voor prostaatkanker

Vragen over seksualiteit en prostaatkanker

Vragen over de keuze van een behandeling bij prostaatkanker

 

Vragen over de diagnose prostaatkanker

Wat is de Gleason-score?

De Gleason-score is het getal dat de patholoog geeft aan een uitslag van de beoordeling van een weefselstukje: een biopt uit de prostaat of een operatiepreparaat. De score geeft aan hoe agressief de prostaatkankercellen zijn die de patholoog ziet onder de microscoop. In de praktijk loopt de score van 3 (minst agressief) tot 5 (meest agressief).

De patholoog kijkt welke cellen het meest gezien worden, geeft het een getal, en kijkt vervolgens welke cellen er daarna het meest gezien worden, en geeft weer een score. Die twee getallen vormen samen de Gleason-som. Meestal wordt de Gleason-som weergegeven als een optelsommetje, bijvoorbeeld 3+4=7. Dat is dan anders dan 4+3=7, want daaraan kun je zien dat de agressievere cellen gescoord met 4 vaker voorkomen dan de minder agressieve cellen gescoord met 3.

Gleason was de patholoog die deze score uitgevonden heeft. De Gleason-score is nog steeds een van de beste methoden om in te schatten hoe de kanker zich gaat gedragen in de toekomst, en welke mate van therapie er dus nodig is. Bij een 3+3=6 in een biopt kiezen urologen vaak voor een active surveillance beleid. Bij een som van 8 en hoger raden artsen de patiënt altijd om met behandeling te starten.

Het geven van de Gleason-som heet ‘gradering’. Het andere deel van de diagnose van prostaatkanker bestaat uit ‘stagering’, ofwel het bepalen van het TNM-stadium.

Lees verder over de Gleason-score.

Hoe moet ik de TNM-score interpreteren?

De TNM-stagering geeft aan hoe uitgebreid de prostaatkanker is. Bij de stagering maakt de uroloog gebruik van de gegevens uit het inwendig onderzoek, de MRI, of de PSMA PET CT.

De T staat voor Tumor, en geeft weer of de uroloog verwacht dat de kwaadaardige afwijking alleen in de prostaat zit (T1-2), of door het kapsel daarbuiten groeit (T3-4).

De N staat voor Node ofwel lymfeklier. De M staat voor Metastase ofwel uitzaaiing buiten de omgeving van de prostaat met omliggende lymfeklieren.

De stagering is belangrijk bij het bepalen van de juiste behandeling. Het systeem kan verfijnd worden met notaties. Die geven zo compact mogelijk aan met welke methode een en ander bepaald is, en hoe de uitbreiding van de ziekte ingeschat wordt. Zo wordt er een c voorgevoegd als het stadium bepaald is tijdens het inwendig onderzoek en de MRI. Als de prostaat verwijderd is en in zijn geheel onder de microscoop is nagekeken, dan is microscopisch bekend hoe de uitbreiding is. Dat is veel nauwkeuriger en definitief. Dan verschijnt de letter p van ‘pathologie’ voor het stadium.

Lees verder over de TNM-indeling bij prostaatkanker.

Hoe moet ik de PIRAD-score interpreteren waarmee een MRI van de prostaat wordt beoordeeld?

Met de PIRAD-score geeft de radioloog op basis van de MRI-scan een indruk van de mate van agressiviteit van een zichtbare prostaatafwijking. 1 is weinig agressief en 5 is sterk agressief. Deze inschatting is bij lange na niet zo nauwkeurig als die van de patholoog.

Vanaf een score van 3 zal zo’n zichtbare prostaatafwijking in aanmerking komen voor een gerichte prostaatbiopsie. Het weggenomen weefsel (de biopten) wordt vervolgens voor diagnostiek (wel of geen kanker, en in welke mate) naar de patholoog gestuurd.

De PIRAD-score zegt niets over de uitbreiding van een eventuele kwaadaardige afwijking.

Welke bloedwaarden zijn belangrijk bij prostaatkanker, naast PSA?

De PSA-waarde is de belangrijkste bloedwaarde voor het ontdekken en de behandeling van prostaatkanker. Het is de enige waarde die iets specifieks zegt over prostaatcellen en prostaatkanker.

Alle andere bloedwaarden zijn alleen van belang om iets te kunnen zeggen over de algemene conditie, de conditie van andere organen zoals de nieren, of om de reactie op medicijnen weer te geven. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk om tijdens de testosteronstop het testosterongehalte te bepalen. Daarmee wordt de effectiviteit van de anti-androgene (‘hormonale’) therapie gemeten. En ook het Alkalische Fosfatase als merkstof voor de uitgebreidheid van uitzaaiing in de botten.

 

Vragen over PSA

Wanneer spreken we over PSA-stijging? (En over welke waarden hebben we het dan?)

Het PSA-gehalte in het bloed kan van dag tot dag een beetje schommelen. De methode om PSA te bepalen, is heel precies. Daardoor worden heel lage waarden of kleine schommelingen ook gemeten. Lees verder over de PSA-test.

De uroloog wil zeker weten dat een hogere waarde na een vorige meting niet het gevolg is van deze gevoeligheid en schommelingen. Daarom bepaalt de uroloog vaak na enige tijd een derde waarde om een eventuele stijging te bevestigen. Daarbij kijkt de uroloog ook naar het verloop van de eventueel aanwezige vroegere reeks van waarden. Zo kan de uroloog samen met alle andere gegevens de relevantie van een stijging goed beoordelen, en eventueel een verandering van behandeling inzetten.

Lees hieronder verder over:

Wat als het PSA weer stijgt na hormoonbehandeling?

Als het PSA na het stoppen van een hormoonbehandeling (de testosteron-stop) weer stijgt, dan is dat een heel natuurlijke ontwikkeling. De uroloog zal dan controleren of de stijging na enige tijd stopt (wat de verwachting is). Vaak is er sprake van normaal prostaatweefsel dat door de nieuwe aanwezigheid van testosteron aangezet wordt om PSA te produceren, zoals alle normale prostaatcellen doen.

Wat als het PSA weer stijgt na TURP?

Na een TURP voor een vergrote prostaat met een blokkade van de urinestroom kan na verloop van tijd (meestal een paar jaar) de goedaardige zwelling van de prostaat weer toenemen. Daarmee neemt ook het PSA geleidelijk toe, zonder dat er sprake hoeft te zijn van (relevante) kwaadaardigheid.

Het is aan de behandelaar om elke stijging goed te interpreteren aan de hand van wat er gebeurd is. En om een verder onderzoek in te zetten dat gericht is op het ontdekken, terugkomen, of verder groei van prostaatkanker.

Wat als het PSA weer stijgt na radiotherapie?

Na een behandeling met radiotherapie is de hoop dat het PSA geleidelijk daalt. Als het PSA toch weer toeneemt, kan er sprake zijn van terugkerende prostaatkanker. Dan kan opnieuw een therapie nodig zijn. De uroloog zal dit beoordelen. Daarbij speelt niet alleen de hoogte van het PSA een rol, maar vooral ook hoe snel het PSA stijgt. Een snelle stijging duidt op tumorgroei. Een langzame stijging kan duiden op langzame groei van de overgebleven normale prostaatcellen in de prostaat.

Waarom soms geen actie als PSA stijgt?

Bij elke PSA-stijging moeten 2 zaken afgewogen worden: 1) wat de oorzaak van de stijging is en 2) of het behandelen van die oorzaak met een (extra) bestraling of medicatie in balans staat tot de levensverwachting en de kwaliteit van leven na die behandeling.

Vooral een langzame PSA-stijging kan onrust opwekken bij de patiënt, ook als het risico op ziektesymptomen klein is. In dat geval moeten patiënt en behandelaar samen overleggen wat zinvol is. Van PSA alleen word je niet ziek, en van een stijging voel je niets. Het is alleen een signaal dat een inschatting over oorzaak en gevolg van belang is.

Wanneer wordt er een PSMA-scan gemaakt?

Een PSMA-PET-scan wordt meestal gedaan bij een stijging van het PSA na een operatie of bestraling om de plaats van een terugkerende kanker op te sporen. Met de uitslag van de scan kan de uroloog beoordelen welke vervolgtherapie er mogelijk is, en op welke termijn.

De scan wordt vroeg ingezet, omdat de gevoeligheid voor het aantonen van prostaatkanker hoog is. Bij PSA-waarden van 0.4 ng/ml kan de PSMA-scan al in de helft van de gevallen iets zichtbaar maken. Maar de interpretatie van de scan is niet makkelijk, want er kunnen ook plekken zichtbaar worden die helemaal geen prostaatkanker zijn (fout positieven).

Met de scan kan bijvoorbeeld na radicale prostatectomie zichtbaar gemaakt worden of er mogelijk sprake is van terugkeer van ziekte op de oude plek van de prostaat, zodat er overwogen kan worden een nabestraling te geven.

Lees meer over de PSMA-PET-scan.

 

Vragen over anti-hormonale therapie bij prostaatkanker

Wat kan er worden gedaan als je veel last hebt van bijwerkingen van Zoladex/bicalutamide?

De bijwerkingen van middelen die de testosteron-stop teweeg brengen, verschillen soms van elkaar. Bij de anti-androgenen in tabletten is er meestal sprake van een licht pijnlijke zwelling van het borstweefsel, aangeduid met gynaecomastie en gynaecodynie. Een eenmalige lichte bestraling van het borstweefsel, of medicatie kunnen dat proces afremmen, maar niet stoppen. Ook opvliegers zijn in beperkte mate met medicijnen te behandelen.

De algemene verschijnselen van testosteron-stop zoals moeheid, lustverlies en botontkalking zijn per patiënt in verschillende mate aanwezig, maar niet tegen te gaan. Stoppen met de medicatie is dan de enige oplossing.

Bij tabletten zal de blokkade van het testosteron meteen stoppen, en zullen de bijwerkingen daarmee ook snel kunnen ophouden. Maar bij het eventueel stoppen van de langdurig werkende injectiepreparaten kunnen de bijwerkingen nog maanden aanhouden. Bij een kwart van de patiënten zal het testosteron nooit meer stijgen ondanks het stoppen van de medicijnen.

Als men dus al denkt om vanwege bijwerkingen een therapie intermitterend (met tussenpozen ) te geven, dan kan dat eigenlijk alleen met anti-androgeen tabletten.

Lees verder over anti-hormonale therapie bij prostaatkanker.

 

Vragen over de behandeling van prostaatkanker

De behandeling wijkt af van de Europese richtlijn, hoe kan dat?

Richtlijnen zijn bedoeld om zorgverleners houvast te geven voor de diagnostiek en behandeling. Daarbij is het uiteindelijke doel om de kwaliteit van de zorg te bevorderen, en om iedere patiënt te voorzien van tenminste de minimaal benodigde elementen daarvoor.

Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat een richtlijn functioneert als een lijst van verplichte activiteiten, maar juist als een leidraad bij de individuele beoordeling van patiënten. Patiënten zijn onderling in allerlei opzichten verschillend en uniek, en het is nodig dat een behandelaar de diverse aspecten van de gezondheid van een patiënt meeneemt in het advies aan een patiënt. Daarbij kunnen er altijd overwegingen zijn om af te wijken van de inhoud van de richtlijn. De arts moet dan wel met argumenten aangeven waarom er in het individuele geval afgeweken wordt van de richtlijn. En dit ook vertellen aan de patiënt en opnemen in het dossier.

In Nederland worden de richtlijnen voor urologische ziekten opgesteld vanuit de Nederlandse Vereniging voor Urologie. Dit gebeurt altijd in samenwerking met andere relevante beroepsverenigingen. Er worden ook internationale richtlijnen uitgegeven door de Europese vereniging van urologen.

Bekijk de richtlijn prostaatkanker.

Kun je nooit een prostatectomie (operatie) krijgen als je radiotherapie hebt gehad?

Het verrichten van een radicale prostatectomie nadat een patiënt radiotherapie heeft gehad, is technisch mogelijk. Maar wel lastig.

Door de radiotherapie kan de verbindweefseling in het bestraalde gebied toenemen. De verschillende weefsels zijn dan aan elkaar verbakken. Daardoor kan de uroloog moeilijker onderscheid maken tussen de prostaat en het weefsel dat daaromheen ligt, inclusief de zenuwen die nodig zijn voor de erectie.

Tijdens de operatie kunnen de verklevingen in enkele gevallen onverhoopt schade aan de endeldarm veroorzaken. Soms is dan een tijdelijk stoma nodig. De uitkomsten van de operatieve ingreep na bestraling zijn daarom bijna altijd slechter dan van een operatie alleen. Het blijkt dat de erectiefunctie eigenlijk altijd verloren gaat. Ook treedt veel vaker een ernstige urine incontinentie op na de operatie.

Bovenstaande kan bij het kiezen van een eerste behandeling voor prostaatkanker een rol spelen.

Bestraling na een operatieve verwijdering van de prostaat in hetzelfde gebied is wel mogelijk, maar leidt wel tot extra bijwerkingen.

Waarom is er in Nederland geen behandeling met lutetium 177 en actinium? 

De behandeling met lutetium/actinium vindt in Nederland momenteel bijna alleen in onderzoeksverband plaats. Dit heeft te maken met de beoordeling van medicatie op de Nederlandse gezondheidsmarkt door de autoriteiten, en de financiële vergoeding die daarvoor gevraagd mag worden aan de ziektekostenverzekeraar.

Technisch is er bijna geen beperking, want soortgelijke behandelingen voor andere tumoren zijn op veel plaatsen in Nederland veilig en goed uitvoerbaar.

Het systeem in Nederland staat borg voor de veiligheid van de behandeling van patiënten. Om tot een beoordeling te kunnen komen zijn voldoende wetenschappelijke gegevens nodig uit binnen- en buitenland. In geval van de PSMA-lutetium/actinium behandeling beginnen die gegevens er te komen. Maar voor het genereren van goede studies is veel geld en tijd nodig: voor registratie, voor ondersteunend personeel, en voor de medicamenten zelf. Dat moet nu van de farmaceutische industrie komen, van de overheid, of van fondsen zoals het KWF.

Waardoor ontstaan problemen met plassen na een prostatectomie?

De problemen met plassen na een prostaatverwijdering kunnen divers van aard zijn, en hebben verschillende oorzaken:

Vernauwing van de plasbuis
In de weken direct na het verwijderen van de katheter kan door littekenvorming een vernauwing van de plasbuis ontstaan: een strictuur.  Daardoor is er steeds meer druk nodig om de blaas te legen. De patiënt gaat persen, houdt rest-urine achter in de blaas, en gaat daardoor steeds vaker kleine beetjes plassen. Soms is er ook sprake van een blaasontsteking, omdat de resturine te lang in de blaas blijft staan en er bacteriën kunnen gaan groeien.

De strictuur ontstaat meestal ter hoogte van de nieuwe aansluiting tussen de blaas en de plasbuis. De strictuur moet opgerekt worden door het passeren van een katheter van voldoende doorsnee. Daarmee rekt het natuurlijke littekenweefsel op. Dit littekenweefsel is meestal de eerste 12 maanden actief aan het groeien. Daarom is het nodig om de handeling voor het oprekken van de strictuur af en toe te herhalen. Sommige patiënten krijgen het advise om dit elke week te doen: zij verrichten zelf-katheterisatie.

Ongewenst urineverlies (incontinentie)
Een tweede probleem is toename van ongewenst urineverlies. Dit heeft niets te maken met het plassen zelf, maar kan het plaspatroon wel sterk beïnvloeden. Als de lekkage al te makkelijk optreedt, dan zal het volume van de normale plas kleiner zijn. Ook zal de patiënt geneigd zijn vaker naar de wc te gaan om te voorkomen dat hij de urine tussendoor lekt.

Ongewilde aandrang om te plassen
Een derde probleem is ongewilde aandrang. De blaas vertoont onwillekeurige samentrekkingen, die ook vaak al voor de operatie aanwezig waren. Dit is min of meer een spontaan ouderdomsverschijnsel. Bij die samentrekking kan de druk in de blaas zo hoog oplopen dat de sluitspier van de bekkenbodem de urine niet tegen kan houden, en er urine lekt. Vaak kan een blaasdempend medicijn helpen om de aandrangsklachten, en ook de daarmee samenhangende incontinentie, te verminderen.

Wat zijn criteria voor het toepassen van afwachtend beleid?

Een afwachtende houding voor het toepassen van diagnostiek of behandeling berust altijd op een afweging tussen enerzijds de gevolgen van de behandelingen en anderzijds de winst daarvan voor de kwaliteit van leven en overlevingsduur.

Deze afweging wordt op veel momenten gemaakt, en begint eigenlijk al vóór het tijdstip van de eerste diagnostiek. Daarbij vraagt men zich af wat het voordeel zou kunnen zijn van het diagnosticeren van een prostaatkanker ten opzichte van de nadelen. Voorbeelden:

  • Voor een relatief jonge man kan de angst voor een eventuele bijwerking als erectieverlies van een vroeg herkende en behandelde prostaatkanker een reden zijn om een PSA-bepaling een paar jaar uit te stellen.
  • Voor een oudere man zal de algemene gezondheid vaker een rol spelen. Als de levensverwachting verkort is door andere ziekten, zal een prostaatkankerbehandeling de levensduur mogelijk niet verlengen. Het vaststellen van de aanwezigheid van een prostaatkanker wordt dan een overbodige belasting.

Voor een patiënt met een kanker met laag risico op groei en uitzaaiing (bijvoorbeeld een Gleason-som 6 tumor) speelt eenzelfde overweging. Zo’n patiënt zal kunnen kiezen voor active surveillance. Hierbij wordt een invasieve behandeling uitgesteld tot het moment van kritieke groei van de tumor. Of vindt helemaal geen invasieve behandeling plaats tijdens het leven, omdat de tumor heel langzaam groeit. Van uitstel komt dan afstel.

Als een kanker na een eerste behandeling terugkomt als uitzaaiing, dan is een hormonale therapie de eerste en meest succesvolle therapiemogelijkheid. Toch zullen de gevolgen van de testosteron-stop die hierdoor optreedt een argument kunnen zijn om de behandeling zo lang mogelijk uit te stellen.

Ook in het laatste stadium van de uitgezaaide ziekte zal de belasting als gevolg van de kankerbehandeling (bijvoorbeeld chemotherapie) afgewogen worden tegen de winst in kwaliteit van leven.

Het kiezen van het juiste moment van starten van therapie is een besluit dat samen met, en op advies van het multidisciplinaire behandelteam genomen wordt.

Is er een risico als je (tijdelijk) stopt met hormoontherapie?

Vermindering van bijwerkingen van de testosteron-stop (moeheid, erectieverlies, neerslachtigheid) is meestal ook de reden om tijdelijk met de therapie te stoppen.

Het tijdelijk stoppen van hormonale therapie onderbreekt ook de rem die door de testosteron-stop veroorzaakt wordt. Vanaf het onderbreken van de hormonale therapie zal het testosterongehalte gewoonlijk stijgen. Dit gebeurt in enkele weken na het gebruik van anti-androgenen en LHRH-antagonisten. Na het gebruik van LHRH-agonisten gebeurt dit in enkele maanden.

Bij ongeveer 1 op de 4 patiënten die langdurig LHRH-agonisten gebruiken, herstelt het testosteron-niveau zich niet meer tot normale waarden. Daarom adviseert de arts meestal een anti-androgeen als er bij de start van de behandeling al reden is om te denken aan intermitterende testosteronstop.

Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat een voortdurend gebruik van hormonale therapie uiteindelijk een langere overleving oplevert dan intermitterend gebruik (gebruik met tussenpozen). Maar deze winst is niet heel groot, en kan ook weer veranderen door de aanwezigheid van nieuwere medicijnen. Het gaat bij de keus voor tijdelijke testosteron-stop daarom vooral om de kwaliteit van leven.

Het testosteron is de opjager van de prostaatkanker. Het tijdelijk aanzetten daarvan zal leiden tot groei van de prostaatkanker. De groei dient daarom goed gecontroleerd te worden, in de eerste plaats met de PSA-bepaling. Als het PSA te snel stijgt, of boven een tevoren afgesproken waarde komt, bijvoorbeeld van 10, dan moet de therapie weer hervat worden. Het is niet aangetoond dat deze handelwijze sneller tot uitzaaiingen leidt.

 

Vragen over de gevolgen van de behandelingen bij prostaatkanker

Wat zijn de bijwerkingen/gevolgen van radiotherapie?

De bijwerkingen van uitwendige radiotherapie en inwendige radiotherapie zijn meestal duidelijk beschreven.

Patiënten willen vaak vooral weten hoe vaak een bepaalde bijwerking voorkomt, en hoe  gevoelig ze zijn voor die bijwerking. Op beide vragen is slechts een algemeen antwoord te geven. Dit maakt het voor de patiënt lastig om een keuze te maken tussen behandelingen (als er een keuze mogelijk is).

Bijwerkingen worden heel variabel gerapporteerd, en ook de mate van een bepaalde bijwerking is nauwelijks objectief weer te geven. Daarbij komt dat elk persoon een bijwerking individueel beleeft.

In het algemeen geldt het volgende:

Darmklachten
Bij mannen die al endeldarmklachten hebben (bijvoorbeeld de ziekte van Crohn of colitus ulcerosa) kan radiotherapie extra klachten opleveren. Bij mannen die deze ziekten niet hebben, heeft ongeveer 1 op de 20 last van ernstige darmklachten door bestraling. Het gaat dan onder andere om terugkerend bloedverlies bij de ontlasting en ernstige krampen.

Erecties
Bij mannen met verminderde erecties zal, ook na zenuwsparende prostatectomie, de kwaliteit van de erecties verder afnemen. Bij oudere mannen zal dit vaker het geval zijn dan bij jongere, omdat er bij 30 % van de mannen ouder dan 60 jaar voor de operatie al sprake is van een verlies of afwezigheid van erecties.

Bij mannen met goede erecties wordt, afhankelijk van de techniek van de ingreep, een behoud van afdoende erecties gerapporteerd in 30-80 % van de gevallen.

Na radiotherapie zullen de erecties sneller afnemen dan zonder radiotherapie het geval zou zijn geweest. Twee jaar na behandeling wordt een nagenoeg identieke afname van erecties in vergelijking met chirurgische behandeling waargenomen.

Inwendige radiotherapie (brachytherapie) geeft ten opzichte van andere vormen van radiotherapie de beste resultaten ten aanzien van het directe behoud van erecties.

Incontinentieproblemen
Incontinentieproblemen treden substantieel vaker op na een operatie (prostatectomie) dan na radiotherapie, en komen bij mannen ouder dan 70 jaar vaker voor dan bij jongere patiënten. Bij ouderen duurt het herstel of de aanpassing van de bekkenbodemspieren na operatie ook langer dan bij jongeren. Daarom zijn artsen bij  mannen ouder dan 75 jaar terughoudend met het aanbieden van een chirurgische behandeling.

Lymfoedeem
Langdurig lymfoedeem van beide benen of eenzijdig treedt met name op bij de combinatie van lymfeklierverwijdering plus radiotherapie. Dan is intensieve fysiotherapie nodig en steunkousen. Steunkousen zijn ook aan te raden als alleen een operatie heeft plaatsgevonden, en is dan meestal tijdelijk voor enkele weken.

Soms is een lymfe-ophoping in het bekkengebied (lymfocèle) de oorzaak, maar deze verdwijnt meestal vanzelf. Zo niet, dan moet de lymfocèle operatief behandeld worden. Als de ymfocèle geïnfecteerd raakt, dan is het nodig een ontlastende drainage door de huid aan te brengen.

Bekijk ook de cijfers over de gevolgen van prostaatkanker.

 

Vragen over seksualiteit en prostaatkanker

Wat kan er gedaan worden aan erectiestoornissen?

Erectiestoornissen hebben vaak meerdere oorzaken. Na een behandeling voor prostaatkanker kunnen de bekkenzenuwen minder goed gaan werken. Ook kunnen stoornissen van de bloedvaten een rol spelen, waardoor er minder bloed naar de zwellichamen van de penis stroomt. Meestal is er ook sprake van (verborgen) aderverkalking. Dat komt extra tot uiting na een operatie of bestraling, als een druppel die de emmer doet overlopen.

Soms zijn er ook andere factoren die bijdragen aan een verlies van erecties. Een voorbeeld is  suikerziekte, dat de kleine zenuwtakjes en bloedvaatjes aantast. Als dat eenmaal optreedt, dan spelen ook psychische mechanismen een rol, zoals faalangst. Die neemt alleen maar toe met elke mislukte erectie.

De uroloog-seksuoloog of radiotherapeut-seksuoloog kan helpen door een grondige analyse te doen. Een erectiemiddel (zoals sildanafil of het langer werkende tadalafil) kan ondersteunend zijn aan het oplossen van het probleem, en het doorbreken van een vicieuze cirkel van falen. Maar een meer psychologisch getinte therapie van patiënt met partner kan ook heel belangrijk zijn.

Het leren omgaan met middelen als een vacuümpomp, of een injectietherapie waarbij een medicament vlak voor de seks in de penis wordt geïnjecteerd , behoeft enige uitleg en begeleiding.

In het uiterste geval is het zelfs mogelijk een erectieprothese in de penis aan te brengen, zodat de patiënt een kunstmatige erectie kan krijgen. Veel patiënten vinden dit een brug te ver, en zijn in staat hun intimiteit en seksualiteit naar tevredenheid te beleven zonder invasieve middelen.

Lees verder over seksualiteit en prostaatkanker.

 

Vragen over de keuze van een behandeling bij prostaatkanker

Hoe maak je – na je diagnose - een goede keus voor afwachtend beleid, operatie of bestraling?

Ieder mens maakt beslissingen op een eigen manier. De één heeft veel vertrouwen in zijn eigen vermogen om op basis van verkregen informatie een besluit te nemen. De ander laat het nemen van een behandelbesluit liever over aan een vertrouwde ervaringsspecialist, zoals een arts. Ervaringen van andere patiënten spelen soms ook een grote rol. Daarom kan het helpen om een lotgenotenbijeenkomst bij te wonen.

Elke patiënt weet wel ongeveer wat hij belangrijk vindt, en hoe hij eerder in het leven bij een belangrijk besluit (zoals het kopen van een huis of auto, of het kiezen van een school) te werk is gegaan.

Hierbij een aantal adviezen voor beslissingen over een behandeling:

  1. Neem iemand mee als toehoorder bij een belangrijk gesprek op de polikliniek (bijvoorbeeld de uitslag van een prostaatbiopsie) en om het behandeladvies aan te horen.
  2. Vraag of je het gesprek mag opnemen, zodat je het later nog eens kunt terugluisteren.
  3. Vraag om voorlichtingsmateriaal dat het besluitproces ondersteunt, bijvoorbeeld een brochure van KWF. Of bekijk de uitgebreide voorlichtinginformatie over prostaatkanker op kanker.nl. Maak aantekeningen en schrijf eventuele vragen op voor een tweede gesprek.
  4. Neem voldoende tijd (tenminste een week) om tot een besluit te komen, en om er met anderen over te kunnen praten. Ga daarna voor een besluitmoment naar de behandelaar.
  5. Praat altijd met de uroloog, de radiotherapeut en de oncologieverpleegkundige. Als je denkt dat je nog niet voldoende informatie hebt, vraag dan om een tweede mening. Omdat de prostaatzorg tegenwoordig grotendeels in gespecialiseerde multidisciplinaire klinieken plaatsvindt, krijgt de patiënt meestal zeer gebalanceerde en kwalitatief goede informatie. Bij een tweede mening is het overigens niet nodig om onderzoek voor een tweede keer te ondergaan. De tweede arts kan gebruik maken van de eerder afgenomen biopten, het bloedonderzoek en de beeldvorming.

Welke behandelingen zijn mogelijk bij castratieresistente prostaatkanker?

Wanneer uitgezaaide prostaatkanker niet meer reageert op hormoontherapie (eerstelijnsbehandeling), zijn er nog diverse behandelmogelijkheden (tweedelijnsbehandelingen).

Vaak zijn er nog behandeling die in de lijn liggen van de beïnvloeding van de moleculaire stofwisseling waarop ook het testosteron zijn invloed heeft: de androgeen receptor. Deze zet het erfelijk materiaal (DNA) in de tumor tot groei aan. Middelen als abiraterone of enzalutamide behoren tot de groep van ‘tweede lijn’ hormonale middelen.

Als deze middelen niet meer in aanmerking komen, dan wordt naar de rol van chemotherapie met docetaxel gekeken. Net als bij alle andere middelen maakt het behandelteam hierbij de afweging of en wanneer dit in te zetten om de kwaliteit van leven te optimaliseren.

Bij een beperkte en pijnlijke uitzaaiing overweegt het behandelteam of de patiënt in aanmerking komt voor een behandeling met plaatselijk radiotherapie. Als chemotherapie niet meer helpt, kan bij de aanwezigheid van meerdere botmetastasen gedacht worden aan een behandeling met radionucleïden. Dit is een behandeling waarbij de patiënt via een infuus radioactieve stoffen krijgt toegediend. Deze hopen zich op rondom plaatsen in de botten die een actieve stofwisseling hebben.

Wat zijn de nieuwe ontwikkelingen op het gebied van prostaatkanker?

Omdat prostaatkanker vaak voorkomt, en vaak een langdurige beloop heeft, worden er veel nieuwe medicijnen ontwikkeld voor de behandeling van prostaatkanker.

De nieuwste vindingen sluiten aan bij het basale laboratoriumonderzoek van de afgelopen twintig jaar. Hierin zijn momenteel drie belangrijke tendensen te zien:

De ontwikkeling van PARP-remmers
Deze medicijnen blokkeren een specifiek eiwit (PARP) dat cellen gebruiken om schade aan hun DNA te herstellen. Daardoor kunnen PARP-remmers de groei van de kanker afremmen.

Immunotherapie
Immunotherapie is een behandeling die het afweersysteem stimuleert om kankercellen aan te vallen. Het afweersysteem gaat de kankercellen beschouwen als vreemde cellen, net zoals het dat doet met bacteriën en virussen. De afweercellen ruimen de kankercellen op.  Lees meer over immunotherapie.

Radionucleïden therapie
Ook bekend als lutetium- of actinium therapie. Hierbij is een radioactieve stof gebonden aan het PSMA. PSMA is het bindmiddel voor een antenne op de prostaatkankercel.  

In bijna alle gevallen kunnen bovenstaande middelen alleen in het kader van een medisch-wetenschappelijk onderzoek aangeboden worden.

Bekijk de trials voor prostaatkanker.

Colofon

Met medewerking van:

professional prostaatkanker

Prof. Chris Bangma

Uroloog en hoogleraar, Erasmus MC

Gemaakt door de redactie van kanker.nl

Laatste update: januari 2022