Bloedtransfusies bij CLL

Deze informatie is gecontroleerd door deskundigen.

Naar colofon

Opslaan

Is het aantal bloedplaatjes of rode bloedcellen bij jou erg laag? Dan zijn bloedtransfusies noodzakelijk.

Bloedtransfusie

Bij een bloedtransfusie krijg je bloed toegediend dat van iemand anders is: een bloeddonor. Een bloeddonor is iemand die helemaal vrijwillig en dus onbetaald wat van zijn bloed doneert om anderen te helpen.

Bloed bestaat uit verschillende onderdelen: rode bloedcellen, witte bloedcellen, bloedplaatjes en bloedplasma. Het bloedplasma is een vloeistof waarin de bloedcellen en bloedplaatjes rond bewegen. Als je een bloedtransfusie krijgt, krijg je alleen het onderdeel toegediend dat je nodig hebt.

Herkomst van bloed

Al het donorbloed in Nederland komt van mensen die vrijwillig en dus onbetaald bloed geven. De bloedbank van stichting Sanquin beheert en verwerkt het bloed en zorgt ervoor dat je bloed krijgt dat bij je past.

Juiste bloed

In bloed komen allerlei eiwitten en stoffen voor. Deze zitten op de bloedcellen of bloedplaatjes en in het bloedplasma. Als je vreemd bloed krijgt, kun je afweerstoffen gaan maken tegen de lichaamsvreemde eiwitten en stoffen. Je afweersysteem kan dan bijvoorbeeld de rode bloedcellen van de donor afbreken. Om de kans daarop zo klein mogelijk te maken, laat de arts eerst je bloedgroep bepalen in een laboratorium. Dan  krijg je het bloed dat bij je bloedgroep past.

Bloedgroep

Je bloed hoort tot een bloedgroep. Welke bloedgroep dat is wordt bepaald door de aanwezigheid of afwezigheid van bepaalde eiwitten op je rode bloedcellen. Een andere naam voor deze eiwitten is antigenen.

Er zijn 2 indelingen die je bloedgroep bepalen: de ABO-indeling en resusantigeenindeling.

ABO-indeling

Deze indeling kijkt naar 2 antigenen: antigeen A en antigeen B. Jouw bloedgroep kan zijn:
A: A-antigeenaanwezig op rode bloedcellen
B: B-antigeen aanwezig op rode bloedcellen
AB: A-antigeen én B-antigeenaanwezig op rode bloedcellen
O: geen A-antigeen of B-antigeen op rode bloedcellen

Resusantigeenindeling

Er bestaan verschillende resusantigenen. Resusantigeen-D is het bekendst. Je kunt zijn:

  • resuspositief: je hebt een resusantigeen op je rode bloedcellen
  • resusnegatief: je hebt geen resusantigeen op je rode bloedcellen

Van de bloedgroepen A, B, AB en O bestaat steeds een resuspositieve variant en een resusnegatieve variant. Kortweg positief en negatief. Je kunt zijn: A-positief, A- negatief, B-positief, etc.

Tegen het A-antigeen, het B-antigeen en het resusantigeen kan je afweersysteem afweerstoffen maken.

Overige afweerstoffen

Heb je eerder een transfusie gehad, dan zijn er extra testen nodig. Je lichaam kan na een eerdere bloedtransfusie afweerstoffen hebben gemaakt tegen eiwitten in het donorbloed. Dit zijn andere eiwitten dan A-, B- of resusantigenen. Bij een nieuwe transfusie breekt je lichaam dan de rode bloedcellen van de donor alsnog af. Ook als je bloed van de juiste bloedgroep hebt gekregen. Met extra testen wordt gekeken welk bloed dan bij jou past.

Veiligheid van bloedtransfusie

Om een bloedtransfusie zo veilig mogelijk te maken:

  • mogen alleen gezonde mensen bloeddonor zijn
  • is donorbloed onder andere getest op een aantal geelzuchtvirussen (hepatitis B en C), syfilis en het hiv-virus
  • zijn bloedplaatjes gecontroleerd op mogelijke bacteriën

Toch is er altijd een klein risico op besmetting. Dat komt doordat:

  • er te weinig virus in het bloed zit om te meten
  • er een virus is dat we nog niet kennen
  • niet voor alle ziekteverwekkers testen bestaan

Bloed toedienen

Bij een transfusie krijg je rode bloedcellen of bloedplaatjes via een ader. Dit gaat met een infuus: een naald met daarin een klein plastic buisje. Je krijgt het infuus in je hand, elleboog of onderarm. Als de naald eruit gaat, blijft het buisje in je ader zitten. Aan het buisje komt een slangetje. Hieraan vast zit een zak met bloed. Het bloed stroomt vanuit de zak via het infuusslangetje je ader in.

Bijwerkingen van een transfusie

Bijwerkingen van een transfusie komen zelden voor. Soms krijgt iemand na de transfusie een allergische reactie met:

  • koorts
  • rode, jeukende plekken op de huid

Deze reactie is met medicijnen te behandelen.

Heeft je lichaam na een eerdere bloedtransfusie afweerstoffen gemaakt tegen het donorbloed? Dan kan bij een nieuwe transfusie je lichaam de rode bloedcellen van de donor afbreken. Dan krijg je koorts. Ook dit is met medicijnen te behandelen.

Colofon

Met medewerking van:

illustratie-arts-man

Prof. dr. Arnon Kater

Hematoloog, Amsterdam UMC (locatie AMC)

illustratie-arts-man

Dr. Mark David Levin

Hematoloog, Albert Schweitzer

illustratie-arts-man

Prof. dr. Harry Schouten

Hematoloog, Maastricht UMC+

Gemaakt door KWF Kankerbestrijding, de redactie van kanker.nl

Laatste update: maart 2017