Reservebank

"Fijne dagen", zei ze, terwijl ze het infuus uit mijn arm haalde waar in de uren ervoor de eerste van een serie nieuwe chemokuren doorheen gedruppeld was. Ze had haar verpleegkundig uniform voor de gelegenheid uitgebreid met een rode kerstmannenmuts. Met een belletje eraan. 

Hartstikke lief was ze. En kundig. En professioneel. 
Net zoals al haar collega’s van het Dagcentrum Infusietherapie.

Ze deden hun werk zoals ze dat in alle weken hiervoor deden: met betrokkenheid, aandacht en zorg voor mij en  voor al die andere patiënten. ‘Business as usual’, op een afdeling als deze. Ook tijdens de feestdagen. Kanker kent geen kerstreces.

Ik dook erin. In de dagen voorafgaande aan de chemo dacht ik op de Kerst2025-app mee over de logistiek van de eerste kerstdag, zocht recepten uit en haalde boodschappen. Maakte op die eerste kerstdag een paar gerechten voor het diner en deed mee met een bloedstollend spannende pot Ganzenbord. Ik lachte, luisterde en vertelde, mezelf ondertussen verwonderend over hoe het in vredesnaam mogelijk was dat ik na de vorige serie chemokuren nauwelijks in staat was op mijn benen te blijven staan terwijl het er nu op leek dat de chemokuur van de dag ervoor bijna niet had plaatsgevonden.

En ik was intens verdrietig. Trok mezelf overeind en in de auto – “ja joh, rijden lukt best zelf.” Hees mezelf in een outfit die het beste bij mijn roze mutsje paste dat sinds twee maanden tot mijn vaste uitrusting behoort en ging op pad. Mijn ene voet voor de ander.

Krachttoer

Het tikte erin, op de kerstavond die volgde op de toediening van de chemo, het besef van waar ik ben: in een schemerzone die op dit moment nog onheilspellend is en in ieder geval compleet onzeker. Misschien wel juist, nu – geheel volgens de voorspelling van de oncoloog- deze nieuwe chemokuur vooralsnog fysiek een ander effect lijkt te hebben in vergelijking met datgene wat ik in de afgelopen maanden allemaal aan onheil achter de rug heb. Omdat het hoofd nu ruimte krijgt. En het hart de pijn voelt.

Van mijn leven dat in één keer van z’n sokkel gedonderd is en waarvan ik op dit moment, met nog een berg aan behandelingen in het verschiet, niet goed overzie hoe ik het er weer op kan hijsen;
Van het te moeten verdragen van het gevoel wéér op de reservebank terecht te zijn gekomen, als kroon op al het (persoonlijk ontwikkel)werk van de afgelopen jaren;
Van de krachttoer van de wekelijkse gang naar het ziekenhuis vanaf nu. Voor de gesprekken met de oncoloog en met de chirurg en vooral: voor de wekelijkse ‘gift’ en de daarmee samenhangende spanning en ongemakken.

Kaarslicht

“Kaarslicht heeft altijd iets in mij aangeraakt, misschien omdat mijn oma in Turkije ’s nachts een kaars aanstak voor wie zij miste of voor wie zij bescherming vroeg. Of misschien omdat we op school kaarsen brandden, die fluisterden dat de wereld soms donker wordt maar nooit helemaal donker blijft, want kaarsen bestaan buiten religies om. Ze zijn het oudste gebaar waarmee de mens tegen de duisternis zegt: ga nog niet zitten, ik ben hier.”

(Varagids - Column Sinan Can, 16 december 2025)

Heel veel was ik niet waard, die avond van de 24e december. Maar ze brandden, alle kaarsen die ik in mijn huis kon vinden.

Ik ben hier. En ik laat een jaar achter me.
Om een nieuw jaar binnen te gaan. 
 

 

 

 

 

1 reactie