Op Verdwaalcursus

De toelatingscommissie acht het niet verstandig dat jij wiskunde-A in je pakket kiest, sprak ooit mijn conrector toen ik op de middelbare school doorstroomde van de ene naar de andere schoolsoort. Die conclusie had ik zelf ook al getrokken. Vijf jaar lang had ik glazig gekeken bij opgaven over data, grafieken en kansberekeningen, mijn docent iedere les meer en meer in verbijstering achterlatend ten aanzien van mijn heroïsche onbekwaamheid. In de afgelopen dertig jaar heb ik op dat vlak geen enkele vooruitgang geboekt. En daar had ik ook geen enkele last van. Integendeel.

Een potentieel curabele tumor

Heb ik bij jou nog nooit je overlevingskansen berekend, vroeg de oncoloog een paar weken geleden. Dit, naar aanleiding van een vraag die ik stelde over mogelijke scenario’s na de uitslag van de MRI over anderhalve week en de betekenis daarvan voor de operatie. Om beslagen ten ijs te komen bij de oncologisch chirurg op 18 maart a.s. dook ik in de afgelopen weken weer helemaal in mijn dossier, zette ik alle beschikbare informatie op een rij in een poging om in al het niet-weten tóch ergens greep op te krijgen en kauwde ik door op de formulering die ik las in de poliklinische brief met daarin de diagnose: een ver gevorderde, potentieel curabele tumor.

Wat ver gevorderd betekent begreep ik best.
Wat curabel betekent ook.
Maar potentieel – hoe dat woord te duiden?
Als misschien? Of als we weten het nog niet?

Ze berekende mijn overlevingskans ter plekke en moeiteloos – zij wel.
Op basis van mijn leeftijd. En de grootte van de tumor. En die zes lymfeklieren. 

Terwijl ze bezig was dwaalden mijn gedachten af naar andere kansen. De kans op het winnen van de Staatsloterij bijvoorbeeld. Of de kans op vijf minuten gratis winkelen bij mijn favoriete boekhandel. Kansen die me in ieder geval een stuk aantrekkelijker voor kwamen dan datgene wat de oncoloog nu zat te berekenen: de kans dat de kanker binnen tien jaar terugkomt. In het beste geval in de vorm van een nieuwe kanker, in het slechtste geval in de vorm van een uitzaaiing waardoor genezing niet meer mogelijk is.  

Overlevingskans

Kanker hangt van kansen aan elkaar. 
En kansen maken mensen zenuwachtig.
(Lieke Marsman)

Er kwam een getal uit, uit de berekening van de oncoloog: mijn overlevingskans in procenten. Een nieuwe loot aan de stam van mijn bijspijkercursus statistiek die zich in sneltreinvaart voltrekt. Een getal dat natuurlijk een gemiddelde is en waarin leefstijl niet wordt meegenomen. Een cijfer dat geen rekening houdt met context en omgevingsfactoren. Een cijfer dat ‘ook maar gewoon een cijfer is.’ Iets om me dus niet door uit het veld te laten slaan en om nuchter naar te blijven kijken, zo sprak ik mezelf streng toe. En tegelijkertijd: een cijfer waar ik óók behoorlijk op moest kauwen.

Omdat ik het, weliswaar aan de goede kant van de curve, een confronterend cijfer vind;
Omdat het de zwaarte van mijn behandeltraject in een klap duidelijk maakt;
Omdat het laat zien dat ‘genezing’ in kankerland relatief is;
En omdat alleen de gedachte al aan het vooruitzicht van nóg een keer zo’n krachttoer als die van de afgelopen maanden me ellendig maakt;

Bending the map

Voor het eerst in mijn leven heb ik de regie in de afgelopen maanden volledig uit handen moeten geven. Een heel nieuwe ervaring voor iemand die altijd in het bezit is van een plan. En van een routekaart. Zeggen dat het wel goed komt, dat ik de weg nog wel weet en dat ik er bijna ben: het is niet de realiteit van dit moment. Maar toegeven dat je verdwaald bent, zo lees ik in Tricky tijden van Jitkse Kramer, blijkt extreem moeilijk. 

Verdwaald zijn betekent dat je geen mentale kaart meer hebt van waar je bent. En dat kan een zeer angstige ervaring zijn, want als de wereld niet meer klopt met hoe die er in jouw hoofd uitziet, dan word je langzaam gek. Het liefste willen we die fase – de ultieme liminale ruimte waarin je wordt opgeslokt in een enorme tussentijd-  overslaan en om het gevoel van niet-weten te ontlopen doen we er alles aan om de wereld passend te blijven maken met onze gedachten en verwachtingen. Dit fenomeen wordt bij verdwalen ook wel “bending the map”, de kaart buigen, genoemd: het in gedachten vervormen van het landschap, op zo’n manier dat het klopt met de richting die je dacht te lopen. Dan wordt het alleen een kansloze exercitie.

Niet de route vinden maar de kaart maken

De realiteit zien en blijven zien vraagt een hoge mate van omgevingsbewustzijn, schrijft Kramer. Als je in de natuur al je zintuigen openstelt en je omgevingsbewustzijn traint, zul je nooit meer verdwaald zijn. Ook als je niet precies weet hoe je moet lopen om ergens te komen, weet je wel waar je bent. Omgevingsbewustzijn betekent dat je volledig, met al je aandacht, aanwezig bent en accepteert wat je ziet. Ook en juist in momenten van grote onzekerheid, twijfel en geheimzinnigheid.

Ons brein wil per se dat we ergens zijn waar we feitelijk niet zijn, zelfs als ons kompas, de kaart of de omgeving iets anders laat zien. De sleutel bij verdwalen is dat je uitgaat van de positie waar je bent, om vandaar uit punten te kiezen om naartoe te lopen. Het is de kunst om niet meer uit te gaan van de kaart die je in je hoofd hebt om vandaar uit de weg terug te vinden, maar om jezelf uit te dagen om het onbekende in kaart te gaan brengen aan de hand van de tekenen uit de natuur: de stand van de zon, de ligging van de waterplassen en de vormen van de bomen. Niet de route vinden, maar de kaart maken. 

Make a cup of tea

Met een beetje pech, zo lees ik verder in Tricky tijden, ondernemen mensen die tot het besef zijn gekomen dat ze verdwaald zijn in paniek allerlei ondoordachte acties, raken ze buiten zichzelf van emoties en zijn ze in no time afgepeigerd en geen stap verder gekomen. Het Britse leger heeft daarom als eerste regel bij verdwalen: make a cup of tea. Om thee te zetten moet je je namelijk concentreren op drie relatief eenvoudige taken: hout sprokkelen, water vinden en vuur maken. Warmte en vocht zijn de eerste dingen die je nodig hebt, voedsel is van later zorg. Door je geest aan het werk te zetten met kleine, praktische zaken kom je tot rust. En als je uiteindelijk rond het vuur zit met thee, kun je met jezelf en elkaar in contact en verbinding de volgende stap bespreken. 

“We willen allemaal geloven dat tegenslagen in het leven uiteindelijk iets goeds zullen brengen. We hebben niet altijd invloed op wat er op ons pad komt, wel op hoe we hiermee omgaan. We zullen moed en creatie nodig hebben, daadkracht en idealisme. En elkaar. Samen maken we de wereld. We kunnen dit.” 

Op verdwaalcursus dus maar. 
Hout sprokkelen, water vinden en vuur maken.
Het kijkt me een goed startpunt. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1 reactie