DE GOEDE OUDE TIJD , deel 3 ,DE KERK

Toen was de kerk nog een rots in de branding, een macht waar je maar beter rekening mee hield. Ze zat overal, in de straten, in de huizen, en vooral in de scholen. En wij kinderen, we voelden die onzichtbare macht, ook al werd ik thuis helemaal niet katholiek opgevoed. Mijn moeder, een rechtgeaarde atheïste, geloofde in niks anders dan het hier en nu. Maar ja, de dichtstbijzijnde school, dat was een katholieke. Eén minuut stappen, niet meer, en praktisch denken was nu eenmaal onze stijl van overleven.

Op Aswoensdag werd van ons verwacht dat we, voor we de school binnengingen, even langs de kerk gingen. Een kort ritueel, een kruisje halen bij meneer pastoor, alsof je een stempel kreeg voor een reis die je eigenlijk nooit wilde maken. En dan, later op de dag, kwam de onderpastoor de klas binnen. Een sluipende schaduw in zijn zwarte soutane, met ogen die niets over het hoofd zagen.

Ik was natuurlijk zonder kruisje. Geen as op mijn voorhoofd, geen teken van boetedoening. En ik voel nog steeds die blikken branden, alsof het gisteren was. De ijzige ogen van de onderpastoor, striemend en vol verwijt, priemden in mijn ziel. Hij zag mijn kale voorhoofd en keek me aan alsof ik verloren was, een kind zonder genade.

Ik weet niet meer wat hij daarna deed of zei, maar dat moment, dat gevoel van schuld die ik nooit had verdiend, blijft hangen. Het was een wereld waarin de kerk je oordeelde, of je nu geloofde of niet. En ergens in de echo van die tijd, voel ik nog altijd dat kale voorhoofd, onbewaakt, zonder bescherming.

Als kleine Willy bracht ik mijn vakanties door bij mijn grootouders, zoals ik eerder vertelde. Ze woonden op het domein van een rijke barones, en voor een stadsjongen als ik voelde dat als een stukje paradijs. Een heel bos alleen voor mij, waar ik kon rondrennen en verdwalen in mijn eigen avonturen. Zalig, werkelijk.

Maar er was een schaduwkant aan dat zomerparadijs: op zondagen moest ik mee naar de mis, en die begon om zes uur ’s ochtends. Ja, zes uur! Voor een kind voelde dat als een straf van bijbelse proporties. Toch, er waren ergere dingen, dacht ik toen.

Wat ik als jongen niet begreep, maar wat later pas echt doordrong, was de macht en de invloed van de adel en de rijke elite die als een onzichtbare hand over dat hele dorp hing. De kerk was hun domein, en wij, het gepeupel, moesten onze plaats kennen. Voor het betere volk stonden er al comfortabele stoelen klaar, maar wij, gewone stervelingen, moesten op harde rieten stoelen zitten. Op de knieën, nota bene. En als je, zoals ik, in een korte broek zat, voelde je die rieten stoelpoten diep in je blote knieën. Een mis duurde toen nog een eeuwigheid, en tegen het einde zag je het bloed op je knieën. Je reinste kindermishandeling, zeg ik nu. Als iemand dat vandaag zou proberen...

Maar mevrouw de barones, die zat daar statig op haar speciale stoel. Zo’n roodfluwelen zetel, alsof die rechtstreeks uit het paleis van de Franse koningen kwam. De stoel stond vooraan in de kerk, op een klein verhoogje, zodat iedereen goed kon zien wie daar in volle glorie zat. Het was een toneelstuk, en de barones speelde de hoofdrol.

Dan kwam de pastoor naar voren en begon zijn openingstoespraak. Altijd dezelfde woorden, in dezelfde volgorde: Zeer geachte mevrouw de barones, begon hij plechtig. Mijnheer de burgemeester, gevolgd door de geachte schepenen, en dan de notabelen van het dorp: Mr. de notaris, Mr. de advocaat, dokter. Die werden bij naam genoemd, maar die namen zijn al lang uit mijn geheugen gewist. En dan, helemaal op het eind, volgde nog een haastige vermelding van het gewone volk. Wij waren de voetnoot van de zondagsmis.

Lena, de meid van de barones, ging rond met de collecteschaal. En daar lag altijd een briefje van 500 Belgische frank in, een som die kwam van de barones. Vijfhonderd frank, dat was in die tijd een klein fortuin. Het gaf een extra glans aan haar status, alsof ze ook in de collecteschaal een troon besteeg.

Na de mis volgde een vast ritueel. Mijn grootvader trok naar het café, en tegen de avond zag je hem dan waggelend thuiskomen. Een zondag was geen zondag zonder dat glaasje teveel. Soms gingen grootmoe en ik even mee, om een koffietje of een cola te drinken, maar daarna vertrokken wij weer naar huis.

En ik herinner me nog dat een pintje bier toen vijf frank kostte. Vijf frank, een bedrag dat me nu doet glimlachen, zo licht als de herinnering aan dat kind dat ooit knielde op rieten stoelen en droomde van de vrijheid buiten.


                        

8 reacties

Dit type verhalen ken ik van mijn moeder. Ze hadden een belangrijke staatsman in hun gemeente  wonen. In de kerk zaten hij en zijn groot gezin vooraan. 
In de oorlogswinter kregen de dochters wit brood met roomboter van thuis mee naar school. In de klas zaten ze vooraan. Ze werden voorgetrokken door de nonnen en gingen allen hoger onderwijs volgen.

Het was een sterk geordende samenleving met rangen en standen.

 

Laatst bewerkt: 08/08/2022 - 13:46