BROMBEER
Ergens, tussen al die lieve lotgenoten van mij loopt een brombeer rond.
Geen gewone. Eentje van de soort die 's morgens wakker wordt, vaststelt dat hij nog leeft en daar eerst eens stevig over moet mopperen. Hij vloekt op zijn rug, zijn pillen, zijn prostaat, zijn blaas, zijn dokters, de trap, de nacht, de ochtend en waarschijnlijk af en toe op de zwaartekracht omdat die hem tegenwoordig ook al meer tegenwerkt dan vroeger. Hij kan in één zin vertellen dat hij zich klote voelt, dat de tyfuszooi hem gestolen kan worden en dat er gelukkig nog hoop is. Een merkwaardig soort Brombeer dus.
Hij fietste ooit tienduizend kilometer per jaar en raasde door de Limburgse heuvels alsof die speciaal voor hem waren aangelegd. Tegenwoordig gaat het wat minder hard en wat minder ver. Eigenlijk gaat het buiten fietsen helemaal niet meer. Er kwam kanker. Er kwamen hormonen, chemo's, pillen en nog meer pillen. Er kwamen dagen waarop hij zich 103 voelde en ochtenden waarop zelfs uit bed komen al een etappe met aankomst bergop was. Maar hij kwam eruit. Meestal brommend. En ergens in zijn buurt is al heel lang een vrouw die precies weet wat voor exemplaar ze ooit in huis heeft gehaald. Ze ziet hem doodgraag. Hij haar ook. Daar wordt bij Bromberen verder niet overdreven veel over gepraat.
Daar moest maar eens een sprookje over geschreven worden.
De Brombeer
Er was eens een Brombeer die aan de rand van een oud bos woonde. Vroeger kende bijna iedereen in het bos hem. Niet omdat hij zo vriendelijk goedemorgen zei, want dat deed hij zelden, maar omdat je hem al van ver hoorde aankomen. Hij had een grote bek, sterke poten en een hart dat hij zorgvuldig ergens diep onder zijn dikke berenvacht verborgen hield.
Naast zijn huis stond een prachtige fiets. Niet zomaar een fiets, maar zo eentje waar een Brombeer af en toe naar kijkt zonder dat hij ergens naartoe hoeft. Alles zat erop wat erop hoorde te zitten en zelfs de versnellingen schakelden met een klein elektrisch tikje, alsof de fiets zelf wist welke kant het op moest. Ooit vloog de Brombeer ermee over de Limburgse heuvels. Bergop stampte hij tot zijn poten brandden, bergaf ging hij zo hard dat zelfs de wind moeite had hem bij te houden. De vogels kenden hem, de bomen kenden hem en zelfs de heuvels kenden hem, want als er eentje te steil was, schold de Brombeer hem onderweg persoonlijk verrot. De heuvel zei daar nooit iets van. Heuvels zijn verstandig.
Maar op een dag kwam er een ongenode gast in het bos wonen. Hij heette Kanker. De Brombeer had hem niet uitgenodigd en liet dat ook onmiddellijk weten. "Pleur op." Kanker bleef. "Tyfuslijer." Kanker bleef nog steeds.
Dus deed de Brombeer wat Bromberen doen wanneer iets weigert op te pleuren. Hij ging ertegen vechten. Er kwamen dokters uit verre ziekenhuizen, spuiten, zakken met gif en pillen met namen waar een normaal bosdier zijn tong over brak. Soms won de Brombeer een stukje terrein. Soms won Kanker. Meestal wist niemand precies wie er gewonnen had en kwam er na een tijdje weer iemand met een bloeduitslag vertellen hoe de wedstrijd ervoor stond.
De jaren gingen voorbij. De Brombeer bleef bewegen zolang hij kon. Fietsen, wandelen, naar buiten, want stilzitten was nooit zijn sterkste kant geweest en volgens hem trouwens ook nergens goed voor. Maar de fiets stond steeds wat vaker tegen de muur en de Brombeer zelf werd trager. Zijn rug begon te kraken, zijn botten protesteerden, zijn zenuwen gingen dingen doen waarvoor niemand ze toestemming had gegeven en iedere ochtend leek er gedurende de nacht stiekem een oude beer bij hem in bed te zijn gekropen. Als hij opstond was die oude beer verdwenen. Alleen diens lijf had hij achtergelaten. "Godsamme."
Vanuit de keuken klonk dan een stem. "Koffie?"
Daar woonde namelijk ook de Berin. Zij woonde er al lang voordat Kanker zijn lelijke kop in hun huis had gestoken. De Brombeer zag haar doodgraag. Zij hem ook. Daar maakten ze weinig woorden aan vuil, want dat was na al die jaren niet meer nodig. De Berin kende hem. Ze wist dat "Another day in Paradise" meestal betekende dat het een kloteochtend was. Ze wist dat "Geef me maar een nekschot" geen bestelling was die ze onmiddellijk hoefde uit te voeren en dat een Brombeer die bromde niet noodzakelijk kwaad was. Meestal had hij gewoon pijn. Bij haar hoefde hij niet flink te zijn, niet sterk en al helemaal niet positief. Hij mocht gewoon Brombeer zijn. Dus wanneer hij als een levend lijk van honderdendrie de woonkamer binnenkwam, zette zij koffie.
Op goede dagen trok hij eropuit. Op slechte dagen bromde hij tegen de wereld en op heel slechte dagen werd zelfs de Brombeer stil. Dan zette de Berin ook koffie. Meer niet. Ze probeerde hem niet te redden en vertelde hem niet dat hij sterk moest blijven. Ze was er gewoon. Soms met koffie, soms met haar hand op zijn poot en soms door helemaal niets te zeggen. En blijkbaar kan helemaal niets zeggen een heel groot werk zijn als je lang genoeg van iemand houdt.
Tot er op een ochtend iets veranderd was. De Brombeer werd wakker en voelde dat hij die nacht minstens honderdzes was geworden. Zijn rug deed pijn, zijn poten deden pijn en eigenlijk deed alles pijn wat volgens hem niet eens pijn kón doen. Hij liep naar beneden en zag de Berin bij het raam zitten. Ze zei niets. Hij ging naast haar zitten.
Buiten stond zijn fiets tegen de schuur.
De Brombeer keek ernaar. Lang.
Er waren duizenden en duizenden kilometers met die fiets voorbijgegaan. Door de Limburgse heuvels, bergop vloekend en bergaf met de wind om zijn oren. Hij kende ieder geluidje ervan, iedere versnelling, ieder tikje. Zijn poten hadden jarenlang precies geweten wat ze moesten doen zodra hij erop zat. Dan was er geen kanker, geen PSA, geen ziekenhuis en geen lijf dat hem vertelde wat allemaal niet meer kon. Dan was er alleen een weg die verderging, een volgende heuvel en daarna nog eentje.
Maar nu stond de fiets daar.
"Ik kan niet meer buiten fietsen," zei de Brombeer.
De Berin antwoordde niet meteen. Sommige zinnen moet je niet proberen beter te maken.
"Ik ga hem verkopen."
Nu keek ze naar hem.
De Brombeer bleef naar buiten kijken. Hij had al veel moeten inleveren sinds Kanker in het bos was komen wonen. Stukjes kracht, nachtrust, vrijheid en een hele verzameling vanzelfsprekendheden waarvan een beer pas merkt dat het rijkdom was wanneer iemand ze hem afpakt.
Maar deze deed zeer.
Zijn mooie fiets zou straks misschien tegen de muur van een ander huis staan. Andere poten zouden de pedalen ronddraaien. Iemand anders zou met een klein elektrisch tikje door de versnellingen schakelen en ermee over zijn heuvels rijden terwijl de Brombeer thuiszat.
En godverdomme, daar had hij verdriet van. Niet omdat het maar een fiets was. Omdat het nooit maar een fiets was geweest.
De Berin schoof haar poot over de tafel en legde die op de zijne. Ze zei niet dat hij misschien later weer zou kunnen fietsen. Ze zei niet dat hij blij moest zijn met wat nog wel kon. Ze kende haar Brombeer beter dan dat. Ze liet hem gewoon kijken.
Na een tijdje zei de Brombeer zacht: "Tienduizend kilometer per jaar."
"Ik weet het."
"Ik kon nogal fietsen."
"Nogal."
Hij keek naar haar. "Heb ik dat al eens verteld?"
"Ongeveer tienduizend keer."
De Brombeer bromde en ergens achter al dat verdriet kwam heel even een glimlach tevoorschijn.
Ze bleven samen voor het raam zitten en keken naar een wereld waarin steeds meer dingen niet meer konden zoals vroeger.
Na een tijdje vroeg de Brombeer: "Denk je dat er nog iets overblijft als ge zoveel moet afgeven?"
De Berin dacht even na en schoof haar poot nog wat verder over de tafel.
"Deze hebt ge nog."
De Brombeer keek naar haar poot en legde de zijne erop.
"Ja."
Dat was alles.
Buiten begon heel voorzichtig de sneeuw te vallen. Eerst op het zadel, daarna op het stuur en tenslotte op de dunne buizen van de fiets die hem zoveel jaren overal naartoe had gebracht. Misschien zou binnenkort iemand hem komen halen. Misschien zou de Brombeer aan de deur staan en nog één keer met zijn poot over het stuur gaan. Misschien zou hij daarna naar binnen lopen en ontzettend hard vloeken.
Laat hem maar. Sommige dingen doen te veel pijn om er mooie woorden voor te zoeken.
Binnen zat de vrouw die hem al kende toen zijn poten nog sterk waren, zijn fiets nog duizenden kilometers vrat en niemand in hun huis ooit van PSA, Zoladex of weet-ik-veel-wat gehoord had. De Brombeer kneep zachtjes in haar poot. Ergens ver achter de heuvels werd het een klein beetje lichter. Niet veel. Net genoeg om te zien dat de heuvels er nog lagen.
"Hoop?" vroeg de Brombeer.
De Berin keek ook.
"Misschien."
"Is er nog hóóóóóóóóóp?"
Ze glimlachte. "Koffie is er in ieder geval nog."
De Brombeer keek in zijn kopje. "Dan beginnen we daar maar mee."
Buiten stond zijn fiets langzaam wit te worden. Straks zou hij misschien van iemand anders zijn. Iemand anders zou ermee over de Limburgse heuvels rijden, dezelfde wind voelen en misschien op dezelfde steile hellingen vloeken.
Maar die duizenden kilometers kreeg niemand erbij.
Die waren niet te koop. Die waren al van de Brombeer.
Voor altijd.
15 reacties
Tsja Willy, zo is het exact bij mij......that's me.....
Mooi omschreven, grote bek met een klein hartje. Deze reactie schrijf ik om 4 uur 's-nachts, zegt al weer genoeg ....
Kan niet slapen van de pijn en het gepieker....
Dat ik niet meer kan fietsen, slecht slaap, hoe het nu verder moet, welke vreselijke behandelingen ze nog voor mij hebben. Moet ik dat nog wel willen? Zorgen om Karin die straks alleen achter blijft, etc. etc.
Ja, ik ben een soort van brombeer, klopt helemaal
Voel me vereerd dat je zo'n mooi en lang blogbericht over mij schrijft Vlaamse vriend ❤❤👍👍👌.
Jilles ouwe brombeer, maar je hebt gelijk hoor jij en wij hier hebben het recht om lekker van ons af te brommen en grommen, lekker op pleuren met onze tering tyfus kanker,dat gezegt hebbende er is altijd hoooop.
En Willy ,wat moet ik weer lachen.
Dank je Zeeuwse vriend uit Utrecht.....zo dadelijk naar de pijnpoli "Another Day in Paradise ".
Godsamme....waar heb ik geen pijntjes......
Hoop, is er nog hóóóóp....
Ga eraan twijfelen inmiddels...
Geweldig omschreven zegt de berin terwijl de tranen over haar wangen vloeien.😘😘😘❤
Herkenbaar ❣️
Wederom prachtig geschreven.
Prachtig geschreven weer, Willy. Over iemand hier op het forum die ook mijn vriend is geworden en met wie ik vorig jaar nog een prachtige fietstocht heb mogen maken. En met wie het intussen helaas minder goed gaat.
Ik kan nog wat beter uit de voeten maar bij mij spartelt het kopje tegen. Zeker op dit eigenste moment nu de grauwe regen uit de hemel valt. Dat maakt me zo depri en ik kan er niet aan doen.
Hoe je het ook keert of draait, ik ben nu nog wat beter maar de hormonen zorgen bij mij voor depri-gevoelens...
Maar ik heb mijn oude fiets nog, onze Brombeer, ik hoop echt voorlopig, niet meer.
En ja, sinds kanker ook in mijn leven is gekomen, ben ik ook veranderd in een ouwe brombeer die zich zeker nu in de herfst en de winter vaker 80 voelt dan 63.
Hoe je het ook keert of draait, de mooie dagen zijn voorbij.
Maar nogmaals, een prachtig eresaluut aan onze Brombeer en zijn Berin. Want dat verdienen ze van harte ! ❤️
Marc.🙏🙏
Mooi Marc, dank je wel andere Vlaamse vriend.....❤❤
Weer 'n prachtig verhaal Willy, met zoveel herkenbare elementen .......
Voor Brombeer is er hopelijk hoop (al is het op andere dingen dan eerst gedacht)... en een hoop koffie!
Ik mis ook mijn biertje en mijn wijntje als ik 's-middags in de serre zit met een lekker muziekje....
Maar daar komt verandering in. Alles pakken ze van me af, mijn fietsen, mijn strijdlust, mijn pleziertjes zoals een wijntje of een biertje
Mag ik misschien nog iets, godverdegodver.....tyfuszooi 😭😭
Zo hard maar zo waar... dat gevoel dat je stap voor stap meer wordt afgepakt... en dan maar proberen vast te houden aan wat er wel nog is... je zou voor minder brommen...
❤️🩹
Oh wat mooi geschreven en mijnhart gaat uit naar mevr en meneer beer dat zij nog maar lang de poten in een mogen slaan als het even kan met een 🥂🫂
Dank je wel Nicy, groetjes van Karin en Jilles.... ❤️