Eigen schuld, dikke bult.

"Je verliest je hoofd nog eens door al dat nadenken. En ja hoor! 😊

Eigen schuld, dikke bult. 

Er zijn zaken waarbij het duidelijk is dat het je eigen schuld is. Als je door rood rijdt en je krijgt een vette bekeuring is dat geheel en al aan jezelf te wijten. En als je je huiswerk niet leert haal je een onvoldoende. Zo helder is dat. Maar wat is het toch dat bij gebeurtenissen waar we geen enkele invloed op hebben toch diezelfde vraag de kop op steekt: heb ik hier zelf schuld aan? 

In onze maatschappij heerst toch vaak de overtuiging dat elke tegenslag een oorzaak moet hebben. Maar nare dingen gebeuren soms gewoon. Ziekte overkomt je. Natuurlijk is er zoiets als oorzaak en gevolg. Is er relatie tussen externe factoren en bepaalde ziekten. Denk aan stoflongen als gevolg van werken in de mijnen, of aandoeningen door het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Of ziek door een ongezonde leefwijze. Genoeg voorbeelden. Soms komen bepaalde ziekten in de familie voor. Of heb je aanleg voor een type kanker. Maar vaak is er ook geen duidelijke oorzaak. Je krijgt het gewoon. Pech.

We zijn het ook niet alleen zelf die deze vragen stellen, ook de maatschappij doet daaraan mee. "Had je maar eerder naar de dokter moeten gaan.". "Had je maar gezonder moeten leven". "Had je maar niet zo veel hooi op je vork moeten nemen". Zonder oorzaak wordt het kennelijk lastiger om er mee om te gaan.

 Schuld-Oorzaak-Controle.

Ik heb Hallux Valgus aan mijn voeten. Dat is een standafwijking waarbij de grote teen scheefgroeit naar de andere tenen toe. Hierdoor ontstaat er een pijnlijke knobbel aan de zijkant van de voet. Kan erfelijk zijn en komt vaker voor bij vrouwen dan mannen, en het dragen van smalle schoenen kan soms de oorzaak zijn. Heeft dus niets met de kanker te maken. Zoonlief zei: "Liep jij vroeger niet te veel op hoge hakken?" Op hoge hakken!?!  Ik heb in mijn werkzame jaren in de zorg waarschijnlijk duizenden kilometers gelopen op comfortabele platte schoenen en gezondheidsslippers. Hoge hakken! Stoom kwam uit mijn oren. Maar tja, toch haakt zo'n opmerking en fluistert een irritant stemmetje in je hoofd : misschien droeg je in je vrije tijd wel veel te smalle schoenen. Eigen schuld dikke bult. Letterlijk in dit geval. Toch. 

Toen ik pas de diagnose eierstokkanker had gekregen zei iemand tegen mij: "heb je het niet gekregen van dat dieet wat je hebt gedaan?". Als ik niet zo nijdig was geweest over die opmerking had ik er nog om kunnen lachten. Een dieet van letten op de koolhydraten en geen toegevoegde suikers. Ja hoor.

Waar komt toch de behoefte vandaan om voor alles een verklaring te hebben. Wat levert je dat uiteindelijk op? Helpt dat de pijn te verlichten? Ik denk eerder het tegenovergestelde Een betere vraag is misschien hoe kunnen we omgaan met wat ons is overkomen zonder onszelf daarvoor te veroordelen.

Ik las een vraag van iemand die de diagnose uitgezaaide kanker had gekregen en bezig was met palliatieve chemo. Ze maakte zich veel zorgen om het milieu, de veeteelt en dat soort dingen, en vroeg zich af of meer mensen met deze vragen worstelden. Of haar kanker misschien hierdoor was ontstaan. Daar wilde ze over in gesprek. De vraag trof me omdat het mij herinnerde aan mijn eigen situatie toen ik net de diagnose had gekregen. Ik herkende wel de vragen over de relatie externe factoren en kanker. Daar heb ik ook mee geworsteld.

Toen ik pas de diagnose uitgezaaide eierstokkanker had gekregen, dus heel in het begin, na het nieuws "u wordt niet meer beter", was ik daar zo ondersteboven van dat het leek of mijn hersenen dat nieuws blokkeerden. Wat ik ging doen was proberen een verklaring te vinden voor het feit dat ik ziek geworden was. Ik ging van alles opzoeken en lezen over eierstokkanker en oorzaken, en ik herinnerde mij dat ik, toen ik een jaar of 11 was, gespeeld heb op een terrein waar een stomerij en later een drukkerij gevestigd was geweest. Toen dat gesaneerd werd was daar een soort plas ontstaan waar we als kinderen 'zeetje' speelden. Ik dacht de oorzaak van de ziekte gevonden te hebben. 's Morgens vroeg zat ik al achter de laptop. Oude gemeenteraadsverslagen opvragen, uitzoeken welke chemische stoffen er gebruikt waren, brieven schrijven. Want wie weet waren er meer mensen die kanker hadden gekregen. Druk was ik ermee. 

En, eerlijk is eerlijk, het had ook een voordeel. Ik hoefde zo niet na te denken over mijn actuele situatie; die van kankerpatiënt. 

Tot het moment waarop ik dacht: "wat ben ik eigenlijk aan het doen? Wat zonde om mijn energie en de tijd die mij nog gegeven is hieraan te besteden". Ik realiseerde me dat het mij niets zou helpen, mijn kanker er niet van weg zou gaan, en dat ik kostbare tijd aan het vermorsen was die ik beter zou kunnen besteden aan Leven.Tijd besteden aan de mensen om mij heen. Dat besef heeft me geholpen het los te laten. 

Niet alles hoeft een oorzaak te hebben die we kunnen vinden. Niet omdat de vraag niet belangrijk is, maar omdat er een moment kan komen waarop je beseft dat het antwoord je niets meer brengt. Het gaf me ruimte en lucht om mijn energie te richten op de behandeling, mijn eigen lijf. Mijn omgeving.

Leven in het hier en nu, met de mensen die je lief zijn, is uiteindelijk toch belangrijker dan te weten waarom. 

 

8 reacties

Speciaal voor jou. 🫂

Het Hoofd op de Tafel

Er was eens, heel lang geleden, een koninkrijk dat zo klein was dat de koning bij helder weer vanaf zijn hoogste toren bijna zijn hele rijk kon overzien.
Aan de rand van dat koninkrijk woonde een man die een bijzonder lastig hoofd bezat. Aan de buitenkant was daar weinig bijzonders aan te zien. Twee oren, twee ogen, een neus die met de jaren wat groter was geworden — neuzen schijnen dat te doen, oren trouwens ook, alsof een mens op zijn oude dag vooral beter moet kunnen ruiken en horen — en bovenop nog net voldoende haar om iedere ochtend de moeite te nemen er een kam doorheen te halen. Veel resultaat gaf dat niet, maar sommige gewoontes hou je nu eenmaal vol omdat niemand je vertelt wanneer je ermee mag stoppen.

Binnenin dat hoofd was het altijd verschrikkelijk druk. Het hoofd wilde namelijk alles weten en, nog erger, alles begrijpen. 
Waarom regende het precies op de dag dat de man zijn hooi wilde binnenhalen? 
Waarom droeg de appelboom van de buurman ieder jaar zoveel appels dat de takken ondersteund moesten worden, terwijl die van hem na drie miezerige exemplaren blijkbaar vond dat hij zijn bijdrage aan de wereld wel geleverd had? 
Waarom was zijn vader zo jong gestorven? Waarom had hij ooit dat ene meisje laten gaan? Hoe zou het trouwens met haar zijn? Leefde ze nog? En hoe heette haar zus ook alweer? Iets met een M. Of misschien helemaal niet. 
Zo werkte dat hoofd. Je begon bij een appelboom en voor je het wist zat je vijftig jaar terug bij een meisje met een zus wier naam je niet meer kende.

Sinds de man ziek was geworden, was het nog erger. 
Het was geen ziekte waarvoor de dorpsdokter een bitter drankje voorschreef met de mededeling dat je drie dagen in bed moest blijven en vooral warm moest houden. Er woonde iets in zijn lichaam wat daar niet hoorde, en de geneesheer van de koning had verteld dat hij het waarschijnlijk nooit helemaal weg zou krijgen. 
Dat was geen prettige mededeling. De man had liever gehoord dat hij meer moest rusten en driemaal daags een lepel van iets vies moest nemen. Daar kun je tenminste wat mee. Maar zijn hoofd had onmiddellijk een andere vraag klaar.

Waarom?

En daarmee begon de ellende.
Had hij vroeger te veel gegeten? Te weinig? Te vet? Niet vet genoeg, want tegenwoordig schijnt vet soms weer gezond te zijn en tegen de tijd dat je eindelijk weet wat je mag eten, ben je waarschijnlijk verhongerd. Was het die winter geweest waarin hij wekenlang in de regen had gewerkt? De oude waterput waaruit hij als kind dronk? De zwarte rook van de fabriek achter het bos? 
Misschien had zijn moeder toch gelijk gehad toen ze zei dat hij zijn groenten moest opeten. Hij had jarenlang de spruitjes onder tafel aan de hond gevoerd. De hond had daar overigens nooit iets van gekregen en was vijftien geworden, wat de spruitjestheorie dan weer enigszins ondermijnde. Maar het hoofd liet zich door dergelijke details niet ontmoedigen.

Vooral 's nachts was het raak. Zodra het huis stil werd, de kaars uit was en zelfs de muizen achter de plinten blijkbaar besloten hadden dat er morgen ook nog geknaagd kon worden, begon het. 
Waarom? Had je toen maar... En wat als... Weet je nog dat... 
En ineens dacht de man aan iets wat hij in 1963 gedaan had en waarvan hij zich de vorige zestig jaar geen enkele keer had afgevraagd of het verstandig was geweest.

"Hou toch eens je kop," mompelde hij.

Dat hielp vanzelfsprekend niet. want het was precies zijn kop die aan het woord was.
Op een ochtend, na een nacht waarin zijn hoofd achtereenvolgens de oude waterput, zijn grootvader, de fabriek, de spruitjes, een lekkende regenpijp en om onverklaarbare redenen een verloren handschoen uit zijn jeugd had onderzocht, was de man het beu. 
Hij ging voor de spiegel staan, pakte zijn hoofd met beide handen vast en draaide.
Tot zijn verbazing kwam het vrij gemakkelijk los.
"Wat doe je nu?" riep het hoofd.
"Jou even wegzetten."
"Dat kun je niet maken."
"Blijkbaar wel."

Hij zette het op het kleine ronde tafeltje bij het raam, tussen een vaas met drie madeliefjes en de broodmand. Hij twijfelde even of hij er iets onder moest leggen tegen kringen op het hout, maar besloot dat een hoofd waarschijnlijk niet lekte. En als het dat wel deed, had hij meteen een nieuw probleem en daar had hij vandaag geen zin in.

"Zo," zei hij. "Jij wilde nadenken. Denk."
"En wat ga jij dan doen?"
"Geen idee."

Het hoofd schrok daar meer van dan van zijn eigen onthoofding.

De man trok zijn jas aan en liep naar buiten. Zijn hoed liet hij thuis, want die zakte zonder hoofd tot op zijn schouders en dan zag hij eruit als een wandelende paddenstoel. 
Op het dorpsplein stond de bakker brood uit de oven te halen. De geur dreef door de straat. Normaal zou zijn hoofd onmiddellijk begonnen zijn over wit meel, boter, gewicht en iets wat de geneesheer drie winters geleden gezegd had. Nu rook hij gewoon brood. Dat was merkwaardig prettig. Hij kocht er eentje, hoewel hij zich even afvroeg waar hij het zonder mond moest laten. 
Daar had hij niet over nagedacht. Zie je wel, daar heb je dus een hoofd voor.

Bij de waterput zat een meisje met rode vlechten te huilen omdat haar houten pop in het water was gevallen. De man viste haar eruit en het meisje gaf hem een kus ergens boven zijn kraag. 
Ze vond het niet eens vreemd dat hij geen hoofd had. Kinderen hebben daar minder problemen mee. Een volwassene zou onmiddellijk vragen wat er gebeurd was, of het besmettelijk was en of je er al mee naar een geneesheer was geweest.

Even verderop zat een oude vrouw erwten te doppen. Ze keek naar hem, keek nog eens en zei: "Je bent iets vergeten."
"Dat hoor ik wel vaker."
Ze wees naar zijn lege kraag.
"O, dat."
"Belangrijk ding."
"Valt mee."

Ze schoof een stukje op. De man ging naast haar zitten en hielp met de erwten. Een hele tijd zeiden ze niets. Dat bleek verrassend goed te gaan. Misschien omdat zijn hoofd thuis stond.

En dat hoofd had het druk. Het onderzocht de sloot waarin de man als jongen had gezwommen, de bessen die hij ongewassen van struiken had gegeten, de rook van de fabriek, het stuk spek op zondag, de wijn op feestdagen, de jaren waarin hij te weinig bewoog en vervolgens de jaren waarin hij misschien te veel bewoog. 
Het herinnerde zich zelfs dat de man ooit als kind aan een stuk lood had gelikt. Waarom hij dat gedaan had wist het hoofd niet meer. Kinderen likken blijkbaar aan dingen. Misschien was het geen lood geweest. Misschien een muntstuk. Maar muntstukken zijn ook vies, dus daar kon vast eveneens iets van komen. 
Tegen de middag had het hoofd zevenentwintig mogelijke oorzaken gevonden en tegen drie uur waren het er drieënveertig. Dat stelde het niet gerust. Integendeel. Achter ieder antwoord stond alweer een nieuwe vraag te zwaaien.

De man zat ondertussen bij de rivier met zijn voeten in het water. Het was koud, zo koud dat hij ze er eerst weer uit trok en vervolgens toch terug instak omdat hij nu eenmaal helemaal tot hier gelopen was. 
De zon lag in kleine gouden stukjes op het water. Althans, dat zou hij gezien hebben als hij zijn ogen niet op het tafeltje had achtergelaten, maar op een of andere manier zag hij het toch. Misschien heb je voor sommige dingen geen ogen nodig. Of misschien moet je in een sprookje niet over alles moeilijk doen.

Tegen de avond ging hij naar huis. Zijn hoofd stond tussen de madeliefjes en de broodmand, omringd door boeken, papieren en een kaart van het koninkrijk waarop het met rode inkt allerlei plaatsen had omcirkeld.

"En?"
"Ik ben nog bezig."
"Dat dacht ik al."
"Het kan de oude waterput geweest zijn."
"Ah."
"Of de fabriek."
"Ah."
"Of iets wat je gegeten hebt."
"Dat wordt moeilijk. Ik heb nogal veel gegeten."
"Je grootvader was trouwens ook ziek."
"Die was tweeënnegentig."
"Dat sluit niets uit."

De man sneed een dikke snee van het brood en smeerde er boter op.

"Wil je ook?"
"Ik heb geen maag."
"Meer voor mij."

De volgende ochtend bleef het hoofd opnieuw op het tafeltje staan. En de dag daarna ook. Het zocht, rekende, herinnerde, verdacht en verwierp. De man leefde ondertussen verder. Hij hielp de bakker een wiel onder zijn kar te zetten, leerde het meisje met de rode vlechten hoe je een platte steen over het water laat springen en zat weer naast de oude vrouw erwten te doppen. Waar zij al die erwten vandaan haalde wist hij niet. Misschien had ze een heel groot veld. Misschien waren het iedere dag dezelfde erwten. Dat soort vragen had hij vroeger aan zijn hoofd overgelaten.

Op een avond dronk hij een glas wijn met de smid. Daarna nog een. Bij het derde dacht hij dat zijn hoofd daar waarschijnlijk iets van zou vinden en besloot hij het bij twee te houden. Helemaal nutteloos was zo'n hoofd dus ook weer niet.

Iedere avond kwam hij thuis en vroeg: "En?"
"Nog niet."

Zo gingen de dagen voorbij. Het hoofd zocht en de man leefde, en geen van beiden had in de gaten dat ze langzaam iets van elkaar leerden.

Tot er op een avond geen antwoord kwam. Het hoofd stond stil tussen de inmiddels verdorde madeliefjes en keek voor zich uit.
"Ben je ziek?" vroeg de man.
"Nee."
"Dat zou ook wat zijn."
"Ik heb alles nagezocht."
"En?"

Het hoofd zweeg. "Ik weet het niet."

Dat waren maar vier woorden. Het hoofd had in zijn leven duizenden veel moeilijkere woorden gebruikt, maar deze kostten blijkbaar het meeste moeite.

"Misschien was het de put. Misschien de fabriek. Misschien iets in je familie. Misschien iets wat je gegeten hebt of ingeademd of aangeraakt. Misschien tien dingen tegelijk. Misschien gewoon pech. Ik kan nog twintig jaar zoeken en het nog altijd niet weten."

Buiten streek de avond over het kleine koninkrijk. De bakker sloot zijn luiken. Er blafte ergens een hond, wat de man even aan de spruitjeshond uit zijn jeugd deed denken, maar dat was een andere hond en bovendien al minstens vijftig jaar dood. Beneden bij de rivier riep een vogel één keer en daarna werd het stil.

De man liep naar het tafeltje en pakte zijn hoofd vast. "Mooi," zei hij.
"Mooi? Ik zeg net dat ik het antwoord niet heb."
"Precies."

Hij zette het terug op zijn schouders en draaide het voorzichtig vast. Het paste nog, al moest hij een halve slag terug omdat zijn neus eerst naar achteren stond. Dat leek hem onpraktisch.

De volgende ochtend werd hij wakker toen de zon door een kier tussen de gordijnen viel. Zijn hoofd zat waar het hoorde en was alweer bezig. Natuurlijk. Soms dacht het aan gisteren, soms aan morgen en af en toe kwam die oude vraag weer langs.

Waarom?

De man hoorde haar wel.
Maar hij stond op, trok zijn jas aan en liep naar buiten. Bij de waterput wachtte het meisje met de rode vlechten, de oude vrouw had alweer een onverklaarbare hoeveelheid erwten naast zich staan en uit de bakkerij kwam de geur van vers brood.

"Dat brood is waarschijnlijk niet erg gezond," zei het hoofd.

"Dat zou best kunnen," zei de man.

Hij kocht er twee.

Laatst bewerkt: 21/08/2026 - 09:15

Wat een mooi blog, lieve Lenneke. Bij longkanker is er altijd de vraag of je gerookt hebt. En zeggen mensen in de lotgenotengroep: ik heb niet eens gerookt, en toch heb ik longkanker, ik heb dubbel pech. Bij geen enkele kankersoort speelt dit zo, en Longkanker Nederland probeert dat taboe te doorbreken door te stellen dat iedereen met longen longkanker kan krijgen, maar ook door te stellen dat iedereen met longkanker gewoon recht heeft op begrip en steun. Geen veroordeling.

Want wat doet het er nog toe? Is het dan je eigen schuld? Vraag je mensen met darmkanker of ze te vaak te vet gegeten hebben? Met leverkanker of slokdarmkanker of ze te veel alcohol dronken? Ja, er zijn risicofactoren. Maar wat mij betreft is kanker vooral botte pech. En er krijgen zoveel mensen kanker, dat het er echt niet toe doet. Vind ik. Zonde van je tijd. NU! dat is wat we hebben.

Veel liefs! XXX

Laatst bewerkt: 21/08/2026 - 18:22

 Dank je wel  Frie.

Ik denk dat je gelijk hebt als je zegt dat juist bij longkanker altijd de 'heb je gerookt?' vraag gesteld wordt. Het zal je eigen schuld wel zijn. Wat naar moet dat zijn dat je naast het hebben van kanker, ook steeds een schuldgevoel aangepraat krijgt. Goed dat men bij Longkanker Nederland dit taboe wil verbreken. 

Inderdaad lieverd, zonde om je tijd te verspillen met het zoeken naar een antwoord wat je niet verder gaat helpen. Leef nu. 

X Lenneke

 

Laatst bewerkt: 23/08/2026 - 17:21

Mooi blog! En spijker op de kop wat mij betreft. Herkenbaar ook, omdat wij tegelijk ziek werden dachten we ook in eerste instantie aan de omgeving. Net als jij heb ik het losgelaten. Filosoof Martin Heidegger zei in Der Satz vom Grund het volgende, ik parafraseer. Dat wij mensen geneigd zijn te denken in oorzaak en gevolg, betekent niet dat die er in de werkelijkheid zijn. Het is meer de standaard modus van mensen vanuit de evolutie om voorspelbaarheid (en daarmee veiligheid) te creëren. Het zoeken naar oorzaken is een vorm van zoeken naar veiligheid. Logisch ook, na de diagnose kanker, maar dus niet per se waar of mogelijk...

Laatst bewerkt: 21/08/2026 - 19:01