aan de oplader
De geluiden van de nacht voelen als een zachte deken.
Zijn de herrieburen eindelijk weg op vakantie heeft de andere buur familie op bezoek. Ze hebben een feestje en er is behoorlijk wat geluidsoverlast. Ik gun het haar en haar dochter... het is komende week 7 jaar geleden dat hun man en vader overleed aan een hersentumor. Het is heerlijk om ze weer te horen lachen.... maar liever niet vandaag.... ik voel me brak en moet opladen en elk geluid is me eigenlijk te veel.
Na 3 dagen klussen, een kamanido en 2 dagen werken is het licht uit.
Tijdens de kamanido zei Willy nog dat ik zo energiek ben, hij leest mijn verhalen over lage energie, gelooft me, maar ziet op de kamanido iets anders.
We hebben te weinig tijd voor dit gesprek.... want we worden er uit gegooid en dus ronden we onze bijeenkomst af.... zijn woorden galmen nog de hele week na in mijn hoofd.
Zijn waarneming klopt... De energie is echt! en ik ben er blij mee... vier jaar geleden had ik deze energie niet! Door aanpassen en goed op de batterij te letten is mijn oude energie bijna dagelijks weer terug.... Nou ja terug....
Vroeger stond ik altijd aan.... Het hoogste woord, een wandeling hier, fietstocht daar, tussendoor nog even naar de stal, de tuin, klusje doen, boodschappen, koken want vriend x komt straks nog eten. 15-18 uur per dag was ik bezig, actief en scherp van geest met af en toe een lui momentje. 2x per jaar had ik een offdag dat ik chagrijnig was en ik was hooguit een paar dagen per jaar verkouden.
Tegenwoordig sta ik meestal uit, of in de slome modus. Elke tien minuten een kwartier op een stoel. Paar keer per dag languit liggen op de bank en dan niet vijf minuutjes maar minstens een kwartier, liever een uur. Klusjes worden gepland en afspraken met beleid zodat er voldoende rust tussendoor is. De hele dag ben ik vooral bezig met energiemanagement. Neem ik vanmorgen de trap.... dan kan ik vanmiddag niet meer vegen.... loop ik mee in het tempo van de ander of volg ik mijn eigen energie om niet alles in één keer op te offeren..... resultaat is wel, dat mijn geest het weer doet. De kater is meestal verdwenen en ik voel me mentaal weer mezelf. Voor een paar uur per dag heb ik weer het hoogste woord en lijkt het alsof ik niet ziek ben.
Ik heb weer geleerd om te stralen en mijn energie te omarmen... dus op de kamanido, waar ik ook weer erg blij werd van alle lieve mensen, straalde ik en had ik weer het hoogste woord.... Gerard zei nog... de prijs gaat ze nog wel betalen....
Twee dagen werken deze week.... maandag ging het licht eigenlijk al uit... maar de beestjes moesten verzorgd worden. Eigenlijk zit ik al dik in het rood, maar ik doe alsof ik gek ben. Dinsdag naar kantoor en niemand merkt iets... op weg naar de auto (collega haalt en brengt me omdat ik niet mag rijden) kan ik bijna niet meer lopen van de pijn in mijn vermoeide en verzuurde spieren.... eenmaal thuis gaat het licht uit...
Vanmorgen meldde ik me ziek voor stal.... de hele dag lig ik brak in de tuin en op de bank. Pijn in het lijf, nek en knallende koppijn.... De geest kon nog wel door, maar ik weet.... de grens is bereikt.... ik kon nu mezelf nog aan de oplader leggen en erbij blijven... doorgaan was echt uitgaan....
Inmiddels lig ik zo'n 36 uur aan de lader..... het rode vlak begint langzaam richting oranje te kruipen.... morgen sowieso nog nodig om bij te tanken en misschien vrijdag ook nog wel om in de buurt van groen te komen.
Als ik de kat van de buren eten heb gegeven (opladen moet met toch met beetje activiteit om de spieren in beweging te houden) loop ik de achtertuin in en ga op het ligbed liggen. Het is nog te vroeg voor de piek van de meteorenstorm, maar er is genoeg te zien.
Het is kraakhelder met een aangename temperatuur. Dit is optimaal opladen... de stilte komt over de buurt en de geluiden van de nacht nemen het over. Een krekel zingt zijn lied, een kikker plonst het water in, de egel snuift door de tuin en de kat slaat haar staart kietelend langs mijn been.
Er komen wat vallende sterren langs en ik denk terug aan de mooiste vallende ster met staart ooit 31 jaar gelden in Frankrijk. Ik deed geen wens, maar hij gaf me kracht om altijd te geloven dat het goed komt en terwijl ik hier aan denk zie ik een bijna net zo mooie ster als destijds. Ik zie hem oplichten en met een prachtige staart achter zich aan uitdoven.
Een glimlach tovert zich op mijn gezicht... het was donker vandaag.... ik probeerde los te laten, maar het ging moeizaam..... nu lig ik in het donker te genieten.... de pijn in mijn lijf is nog lang niet weg... ietsje minder misschien van maar van een 8 zitten we pas op een 7.5.... onder de 4 kunnen we pas weer spreken van draaglijke pijn om weer actief te worden.... maar ik kan in ieder geval weer glimlachen.
Toch ook winst.... er waren dit keer 8 actieve dagen achter elkaar.... in het begin van mijn diagnose waren dit 2 goede en vijf slechte... nu had ik 8 goede en ik denk 2 a 3 slechte.
Mijn huis hangt vol met bordjes.... door vele verguist.... voor mij een herinnering dat het wel goed komt.... een van de bordjes zegt.... Als het te donker is.... kijk dan naar de sterren.... en dat deed ik vannacht... en ze waren prachtig...
Morgen zijn er vast nog een paar over om nog een keer te kijken.
4 reacties
Lieve jij, wat ben je toch mooi! Open, eerlijk en geweldig!
Dit gedicht heb ik ooit voor mij geschreven. Het past ook bij jou.. De 3e alinea misschien niet, maar ik heb hem toch bewust laten staan. Je kunt namelijk ook gewoon ophouden met lezen na de 2e 😉
Dikke knuffels van mij🫂🫂🌟🌟
Ster
Sterren stralen een licht
en brengen mij dit gedicht
een hemel vol flonkering
lijkt een dierbare hereniging
alsof die IK die ik mis
ineens weer bij me is
Een lichtpunt moet er zijn
al is het als een ster zo klein
zo lijkt het in een heldere nacht
alsof de hemel naar me lacht
dan lijk IK zo dichtbij
en heel intiem voor mij
In de hemel daar is iedereen
die uit het aardse leven verdween
en in mijn eigen fantasie
stel ik me voor dat ik ze zie
in elke ster die straalt
en mede mijn leven bepaalt
Prachtig Hebe! En jij bent ook een prachtmens ❤️❤️
Ik wijs Jojo er regelmatig op dat haar blogs veel te lang zijn.
Met mijn chemobrein is dat geen detail. Tegen de tijd dat ik aan het einde ben, kan ik opnieuw beginnen omdat ik het eerste stuk alweer vergeten ben.
Dit blog bracht me op het idee voor een klein sprookje. Maar blijkbaar is langdradigheid besmettelijk.
Het ding bleef maar groeien en voor ik het wist had ik zelf een verhaal geschreven waar een gemiddeld chemobrein een lunchpakket voor nodig heeft.
Mijn excuses daarvoor.
Behalve aan Jojo. Die is begonnen.
De Vrouw die Licht gaf
Er was eens, in een land dat op geen enkele kaart stond en waar je dus ook niet naartoe kunt rijden, zelfs niet wanneer je tegenwoordig zo'n apparaat in je auto hebt dat beweert alles te weten, een vrouw die licht gaf.
Niemand in het dorp wist precies hoe dat kwam. De bakker beweerde dat ze als kind een stukje van de zon had ingeslikt, de pastoor hield het liever op een wonder en drie oude vrouwen die iedere middag bij de waterput zaten, wisten met absolute zekerheid dat haar moeder tijdens de zwangerschap te lang naar de volle maan had gekeken. Oude vrouwen bij waterputten weten zulke dingen altijd bijzonder zeker. Het behoort waarschijnlijk tot de voordelen van oud zijn en bij een waterput zitten.
De vrouw zelf vond het allemaal onzin. Ze gaf gewoon licht en had nooit de behoefte gevoeld zich af te vragen waarom. Wanneer ze 's morgens door het dorp liep, draaiden de bloemen hun kopjes naar haar toe, begonnen de vogels wat harder te zingen en zelfs de norse smid, die al twintig jaar volhield dat er sinds de dood van zijn vrouw niets meer te lachen viel, trok soms heel even één mondhoek omhoog.
Ze had licht genoeg, meer dan genoeg zelfs, en strooide het overal rond alsof het niets kostte. Ze liet wat achter in de stallen bij de dieren, tussen de bomen van het bos en op de lange wegen buiten het dorp. Ze deelde ervan uit aan iedereen die bij haar aan tafel kwam en wanneer er ergens feest werd gevierd, hoefde men eigenlijk nauwelijks kaarsen aan te steken. De vrouw was er, en meestal volstond dat. Ze praatte trouwens ook nogal veel, maar dat had niets met het licht te maken. Dat was gewoon haar karakter.
Jarenlang vroeg niemand zich af waar al dat licht vandaan kwam. De vrouw zelf nog het minst. Mensen stellen nu eenmaal zelden vragen over wonderen zolang die iedere ochtend op tijd verschijnen.
Tot er op een dag een donkere bezoeker aan haar deur kwam.
Niemand heeft ooit gehoord wat hij tegen haar zei. Misschien sprak hij zelfs helemaal niet. In oude sprookjes zou men hem een vloek noemen, of een heks, of een boze tovenaar die toevallig die ochtend met het verkeerde been uit bed was gestapt. In de echte wereld gebruiken we daar andere woorden voor en worden de kamers waarin zulke bezoekers hun boodschap brengen meestal verlicht door tl-lampen.
Toen hij vertrokken was, bleek het licht van de vrouw niet verdwenen. Dat zou eigenlijk eenvoudiger zijn geweest. Het was er nog, maar het gehoorzaamde niet meer zoals vroeger. Sommige ochtenden werd ze wakker met een borst vol zonneschijn en kon ze bijna geloven dat alles weer was zoals het ooit geweest was. Op andere dagen vond ze nauwelijks genoeg licht om een klein vlammetje brandend te houden.
Het merkwaardigste was dat niemand kon zien hoeveel ze nog overhad. Wanneer de vrouw lachte, straalde ze. Wanneer ze bij mensen was van wie ze hield, straalde ze nog harder en dan zeiden de dorpelingen: "Zie je wel, het gaat alweer goed met haar." Dorpelingen trekken graag conclusies uit de vijf minuten waarin ze iemand zien. Mensen buiten sprookjes trouwens ook. Het scheelt een hoop vervelend nadenken.
Alleen de vrouw wist dat ieder beetje licht dat ze uitdeelde ergens vandaan moest komen. Ze leerde rekenen op een manier die ze vroeger nooit nodig had gehad. Als ze 's morgens te veel licht in de stallen achterliet, was er 's middags misschien niet genoeg meer voor de tuin. Wanneer ze met iemand door het bos wandelde, moest ze oppassen dat ze niet automatisch diens tempo volgde. Soms kwam ze 's avonds thuis en telde ze wat er nog over was. Drie vonkjes. Twee. Eén. En dan niets meer.
Op zo'n avond zag ze aan de rand van het bos een smal pad dat daar de dag voordien beslist nog niet had gelegen. Het kronkelde tussen zwarte bomen, verdween achter een heuvel en eindigde bij een enkele lantaarn waaronder een piepklein winkeltje stond. Boven de deur hing een verweerd houten bord waarop alleen een zonnetje geschilderd was. De helft van zijn stralen ontbrak.
De vrouw keek ernaar en dacht dat dit, na alle dokters, raadgevers en goedbedoelende mensen die haar inmiddels verteld hadden wat ze vooral wel en niet moest doen, onmogelijk nog veel erger kon worden.
Ze duwde de deur open.
Achter de toonbank zat een stokoude man met een baard tot op zijn knieën en een bril waarvan de glazen zo dik waren dat hij vermoedelijk niet alleen kon zien wat je gisteren gedaan had, maar ook welke stommiteit je volgende week van plan was te begaan.
"Ik ben stuk," zei de vrouw.
"Dat zeggen ze hier allemaal," antwoordde de oude man zonder op te kijken.
"Mijn licht werkt niet meer zoals vroeger."
"Dat zeggen ze ook allemaal."
"Vroeger kon ik alles."
Nu keek hij wel op. "Dat zeggen vooral mensen die vergeten zijn dat vroeger ook maar gewoon vroeger was."
De vrouw besloot dat ze hem niet aardig vond.
De oude man haalde een zilveren hamertje uit een lade, tikte ermee tegen haar knie en haar elleboog en zette daarna een enorme koperen trechter tegen haar borst. Hij luisterde een hele tijd, fronste en verplaatste de trechter een paar centimeter.
"En?" vroeg de vrouw uiteindelijk.
"Veel lawaai."
"Dat is mijn hart."
"Nee," zei de man. "Uw hoofd."
Daar had hij helaas een punt. Dat maakte hem nog irritanter.
Toen hij eindelijk klaar was, legde hij zijn trechter weg en zei: "Er is niets stuk."
Nu werd de vrouw kwaad. Ze vertelde hem over de dagen waarop ze nauwelijks tot de dorpsput geraakte, over het voortdurende rekenen, over rusten terwijl ze helemaal niet wilde rusten en over de merkwaardige toestand waarin haar geest nog vrolijk verder wilde terwijl haar lichaam ergens onderweg was gaan zitten en weigerde nog mee te doen.
De oude man luisterde geduldig en knikte.
"Eindelijk begrijpt u het," zei ze.
"Volkomen."
"En?"
"Er is niets stuk."
"Wat is er dan in vredesnaam met mij?"
De oude man keek haar over zijn dikke brillenglazen aan. "U probeert nog steeds te leven met de gebruiksaanwijzing van de vrouw die u vroeger was."
"Welke vrouw?"
"U."
Daar werd het zelfs in haar hoofd even stil van. "Wat moet ik dan doen?"
"Niets."
"Dat kan ik niet."
"Dat weet ik."
"Hebt u geen toverdrank?"
"Nee."
"Een nieuw licht?"
"Nee."
"Een spreuk?"
"Ook niet."
De vrouw keek naar de honderden flesjes, potjes en geheimzinnige doosjes op de planken. "Wat verkoopt u hier dan eigenlijk?"
"Meestal dingen die mensen niet nodig hebben."
"En wat verkoopt u mij?"
"Niets."
"En hoeveel kost dat?"
"Voor iemand zoals u? Een fortuin."
Daarna zette hij haar buiten.
De vrouw vond hem een oude idioot en besloot zijn advies te negeren. Dat is overigens wat mensen meestal met wijze raad doen. Anders zouden we na enkele duizenden jaren beschaving inmiddels wel ongeveer klaar zijn.
Er volgden een paar goede dagen. De vrouw verzorgde haar dieren, werkte in huis, liep door het bos en op een avond ging ze naar een groot feest in het dorp. Tussen de bomen hingen honderden lampionnen en aan lange tafels zaten mensen die ze graag zag. Er werd gegeten en gelachen en natuurlijk begon de vrouw te praten. Na een tijdje had ze weer het hoogste woord en haar licht brandde zo fel dat de lampionnen er bijna verlegen van werden.
Een man aan de overkant van de tafel keek haar verbaasd aan. "Vreemd," zei hij. "Iedereen vertelt dat je zo weinig licht hebt, maar als ik jou hier zie..."
Hij maakte zijn zin niet af. Dat hoefde ook niet. De vrouw keek naar haar handen en zag dat ze straalden. De man had gelijk. Haar licht was echt, haar vreugde was echt en de energie die door haar heen stroomde was echt. Alleen de prijs die ze daarvoor betaalde was dat ook.
"Die rekening komt nog wel," mompelde iemand naast haar.
Helaas bestaan er zelfs in sprookjes mensen die gelijk krijgen op momenten waarop je ze veel liever ongelijk zou geven.
De vrouw had inmiddels acht goede dagen achter elkaar gehad. Acht! Vroeger zou ze daar niet eens bij hebben stilgestaan, maar tegenwoordig voelde het bijna als een klein wonder. En zoals dat met kleine wonderen gaat, besloot ze onmiddellijk te kijken of ze er nog eentje bij kon krijgen.
Dat kon niet. Haar benen werden zwaar, haar spieren brandden alsof een stel kwaadaardige kabouters er de hele nacht knopen in had gelegd en haar hoofd bonsde zo hard dat zelfs stemmen pijn deden. Het laatste beetje licht doofde en deze keer herinnerde ze zich, zij het met enige tegenzin, de woorden van de oude winkelier.
Niets.
Dus deed ze niets.
Of toch zo weinig mogelijk, want een mens wordt niet plotseling verstandig omdat hij één keer een geheimzinnige oude man in een bos heeft ontmoet. Ze lag, sliep, stond af en toe op en ging daarna weer liggen. De eerste dag gebeurde er helemaal niets en de tweede nauwelijks meer, maar ergens diep in haar borst verscheen langzaam een rood gloedje. Nog geen licht, hooguit de herinnering eraan.
Die avond stond ze toch even op omdat aan de rand van het dorp een kat woonde die erop stond dat ook uitgeputte vrouwen hun verplichtingen nakwamen. Katten hebben nooit veel begrip gehad voor energiemanagement. Nadat ze het dier eten had gegeven, liep de vrouw haar tuin in en ging op een ligbed liggen.
Langzaam werd het dorp stil. De laatste stemmen verdwenen achter gesloten ramen, een krekel begon zijn nachtelijke lied, een kikker plonste in de vijver en tussen de struiken snuffelde een egel naar iets wat alleen egels interessant vinden. De kat streek met haar staart langs het been van de vrouw.
Boven haar stonden duizenden sterren.
Toen trok er één met een lange, heldere staart door de hemel en ineens dacht de vrouw aan een andere vallende ster die ze eenendertig jaar geleden had gezien, in een ver land dat Frankrijk heette.
Nu bestaan er in sprookjes natuurlijk geen landen die Frankrijk heten.
Vanaf hier zou een oplettende lezer dus kunnen beginnen vermoeden dat dit verhaal niet helemaal een sprookje is.
Ook toen had de vrouw geen wens gedaan. Ze had alleen gekeken en om een of andere reden het gevoel gekregen dat het goed zou komen. Niet dat alles goed zou worden. Dat is iets anders. Sprookjesvertellers die dat verschil niet kennen, moeten dringend een ander beroep zoeken.
De vrouw keek naar de sterren. Haar lichaam deed nog altijd pijn, haar benen waren nog steeds zwaar en morgen zou ze waarschijnlijk opnieuw een groot deel van de dag moeten liggen. Misschien overmorgen ook. Er verscheen geen fee om dat op te lossen, geen prins kwam aanrijden met een flesje levenskracht en nergens begon plotseling een vrolijk orkest te spelen.
Sommige dingen weigert zelfs een sprookje mooier te maken dan ze zijn.
Maar de vrouw glimlachte. En ergens tussen de bomen hoorde ze heel zacht een stem. "Zie je wel."
Ze keek om zich heen. "Wie is daar?"
Er kwam geen antwoord. Alleen de krekel bleef zingen.
"Er was niets stuk," fluisterde de stem.
"Gemakkelijk praten," mompelde de vrouw.
Misschien was het de oude winkelier. Misschien de krekel. In een behoorlijk sprookje moet je niet alles uitleggen, want voor je het weet heb je een handleiding geschreven.
Maar de vrouw glimlachte opnieuw. Want begreep ze eindelijk wat de oude winkelier haar had verkocht.
Niets.
En verdomd, het begon te werken. Niet snel en zeker niet wonderbaarlijk. Gewoon langzaam, zoals echte wonderen meestal werken.
Een paar dagen later ging ze terug naar de rand van het bos. Ze zocht het kronkelpad, maar vond het niet meer. De lantaarn was verdwenen en van het winkeltje was geen spoor te bekennen. Alleen aan een oude boom hing het verweerde houten bord. Het halve zonnetje stond er nog. Maar iemand had er een smalle maan naast geschilderd en daarboven drie kleine sterren.
De vrouw keek er lange tijd naar. "Een nieuw zonnetje was gemakkelijker geweest," mompelde ze.
Ergens tussen de struiken snoof een egel.
"Ja, lach maar."
Toen wandelde ze langzaam naar huis.
Morgen zou haar licht misschien weer wat feller branden. Misschien ook niet. Dat wist ze inmiddels niet meer en, wonder boven wonder, ze hoefde het ook niet meer precies te weten.
Want donker betekende niet dat haar licht verdwenen was.
Soms was donker gewoon donker.
Maar soms was het ook de enige plek waar je de sterren kon zien.
😂😂😂, jou reactie was veel langer dan mijn blog!!!
Maar ik heb genoten van je sprookje, een traantje weggepinkt en een glimlach op mijn gezicht die licht geeft ❤️❤️❤️