Van huismus naar zeehond en weer terug
Oorspronkelijk was er een familiefeest van Gerard op Zuid-Beveland. Nou vind ik een beetje autorijden geen probleem, maar drie uur heen en drie uur terug op 1 dag vond ik zelfs wat te gortig en dus boekten we drie weken geleden eindelijk een hotelletje in de buurt. We hadden nog niet geboekt of we kregen een berichtje dat het feest niet doorging....
Deze huismus wilde helemaal niet weg... maar ja, geen annuleringsregeling afgesproken en het hotel was al betaald, dus natuurlijk gingen we.
De hete dagen ervoor zorgden ervoor dat we niet veel deden, geen klussen op stal, geen opruimen thuis, alleen maar overleven en eerlijk gezegd ook een beetje genieten.... Want eerlijk is eerlijk.... eerder schreef ik al dat ik dit jaar bijzonder goed tegen de warmte kon, het went ook.... dus waar als kind 22C veel te heet was, zat ik vorige week met 32C in de tuin de lege flessen te sorteren en een beetje het gras uit de tegels te plukken om me toch nog een beetje nuttig te voelen.
Elke dag mopper ik dat ik eigenlijk niet weg wil en zaterdag rek ik het behoorlijk omdat ik dan ineens wel het huis wil poetsen eenmaal op pad laat ik alles los.
Eenmaal aangekomen in Rockanje (ja, dat is Zuid-Holland en geen Zeeland, maar wel een eiland en dus noem ik het tegen beter weten in altijd Zeeland) verdwijnt de huismus en ben ik ineens een ervaren reiziger. Het hotel ligt prachtig en hoewel we even door moeten komen trekken we heerlijk wat baantjes in het zwembad. Gerard is trots dat het zwemmen goed gaat! De spierpijn wordt door het slaapapparaat echt duidelijk minder! Conditie blijft ruk, 100-200 meter lopen is echt wel de max.
De volgende ochtend heb ik een kleine kater van de cocktail aan het zwembad, maar we genieten met volle teugen. Ik wil vandaag graag in zee zwemmen, niet te laat, want dat helpt vast tegen de kater. De weg leidt ons waar we komen, we hebben geen plan, geen doel.... beetje doel is Knokke, gewoon omdat het kan en de brandstof in Belgie een stuk goedkoper is.
We volgen de eilanden, Schouwen Duivenland, Goeree Overvlakkee, en als we over de Brouwersdam rijden hopen we daar te kunnen zwemmen. Rijen vol campers blokkeren het uitzicht op zee en bij de glimpen die we zien, blijkt het eb te zijn met een modderige vlakte vol vissers en camperaars waar we door heen moeten voor we bij het water zijn.
De moed glijdt me uit de schoenen.... A red ik de zee niet en B.... ik heb ook geen zin om tussen die mensen door te lopen en te bekeken worden door die mensen in campers die doen alsof ze kamperen.
We rijden door en elk eiland zakt de moed me meer in de schoenen, haha, bij de vorige alinea wist ik dat ik het gezegde fout schreef.... maar ik kon me niet bedenken wat het dan moest zijn.... nu rolt het moeiteloos uit mijn vingers... ik laat het staan... ook dit is vermoeidheid, hersens die niet meer goed functioneren.... Sorry Willy.... hij wordt weer te lang 😂😛.
Van Zuid-Beveland tot Walcheren stromen de tranen over mijn wangen. Ik had me zo verheugd op zwemmen en dat klote lijf wil niks.... Thuis heb ik een goede balans gevonden in wat gaat en niet gaat en dus voel ik me er fijn en veilig. Een huismus ben ik altijd geweest, maar als ik eenmaal op vakantie was, dan werd er flink gewandeld, op avontuur gegaan en was geen berg te groot om te ontdekken. Nu kan ik alleen maar als een papzak in de auto zitten en voor me uitstaren en dromen over wat ooit kon.
Gerard is mijn held, voor hem is dit ook niet leuk, hij probeert me te troosten, laat mijn verdriet er zijn en tegen de tijd dat we aan het einde van Walcheren zijn, zijn de tranen verdwenen en is de humor terug. Op Zeeuws Vlaanderen rijden we prachtige kleine weggetjes en wanen we ons in Zuid-Frankrijk door de droogte, het prachtige landschap de de echte camperaars die een minuscuul weggetje blokkeren omdat ze niet dachten dat er ooit iemand zou komen. We zeggen dat ze niet hoeven in te pakken.... we denken dat we toch dood lopen of in ieder geval uitkomen op het beginpunt, dus rijden achteruit terug en gaan dan eindelijk wat lunchen. Na het eten gaan we vol goede moed verder en rijden door prachtige dorpen en steden, ja steden, want Aardenberg heeft als sinds heel lang stadsrechten, ook al oogt het meer als een dorp dan als een stad. We genieten met volle teugen, checken regelmatig Wikipedia en doen aan cultuursnuiven vanuit de auto. Het is hoogseizoen en toeristisch en we hebben beiden geen zin in mensenmassa.
Bij Cadzand in de buurt komen we bij een lege parkeerplaats en volgens google is het strand vier minuten lopen en 1 duin over. Ik durf het aan, en ook al doe ik er twintig minuten over, ik red het strand. Het is vloed, dus de zee is dichtbij. We duiken de zee in en staan op 15m afstand oog in oog met een prachtige gewone zeehond. Weer tranen, maar nu van geluk. We hebben de zee gehaald en het zien van een zeehond is toch altijd prachtig. We dobberen zo'n 45 minuten tot een uur in de golven om daarna vermoeid maar voldaan rustig terug te keren naar het hotel.
De volgende dag gaan we 1x snorkelen in het Grevelingenmeer. Via google de locatie gezocht met zo min mogelijk lopen en de parkeerplaats dichtbij. Het water was heerlijk en prachtig en de temperatuur van het water was 23C dus dat was zeer aangenaam. Op ons dooie gemak rijden we terug naar huis om terug te keren van een heerlijk weekend zeeland. Drie dagen achter elkaar gezwommen maakt me gelukkig, ik hou van zwemmen, vooral in de zee. De zeehond was een een hoogtepunt, maar het lekkerste van weg zijn is thuiskomen.... want hoe mooi de wereld ook is, Oost West, Thuis het het best.
2 reacties
De Huismus
Er was eens een huismus die een hekel had aan reizen.
Dat was eigenlijk een beetje vreemd, want vroeger had ze heel wat van de wereld gezien. Ze had over bergen gevlogen, vreemde bossen bezocht en paden gevolgd waarvan niemand wist waar ze eindigden. Maar de laatste tijd zat ze het liefst bij haar eigen nest. Daar kende ze iedere tak, iedere dakpan en ieder kruimeltje op de grond. Bovendien waren haar vleugels niet meer wat ze geweest waren. Ze deden het nog wel, maar tegenwoordig hadden ze blijkbaar een eigen mening over hoe ver.
Op een dag kreeg de huismus een uitnodiging voor een groot feest aan de andere kant van het land. Omdat het een verre reis was, huurde ze samen met haar Gerardmus alvast een nestje voor de nacht.
Prompt werd het feest afgelast.
„Mooi,” zei de huismus. „Dan blijven we thuis.”
„Het nestje is betaald,” zei Gerardmus.
De huismus keek hem aan zoals alleen een huismus kan kijken wanneer haar echtgenoot iets volkomen redelijks zegt waar ze absoluut geen boodschap aan heeft.
Dus gingen ze.
Op de ochtend van vertrek ontdekte de huismus plotseling dat het huis dringend gepoetst moest worden. Heel dringend zelfs. Er waren hoekjes die haar in geen maanden geïnteresseerd hadden, maar die nu onmogelijk nog een dag konden wachten.
Gerardmus kende dat verschijnsel inmiddels en liet haar rustig poetsen tot er werkelijk niets meer te verzinnen viel.
Eenmaal onderweg gebeurde wat altijd gebeurde. Na een tijdje keek de huismus uit het raam, zag onbekende bomen, water en wegen en vergat dat ze eigenlijk niet weg wilde. Tegen de tijd dat ze hun tijdelijke nest bereikten, gedroeg ze zich alweer alsof ze Marco Polo persoonlijk had leren reizen.
Er was zelfs een vijver waarin mensen baantjes trokken. De huismus ging erin en merkte tot haar verbazing dat haar vleugels in water veel minder moeilijk deden dan op het land.
De volgende ochtend besloot ze daarom dat ze de zee wilde zien.
Niet bekijken. Gewoon erin.
Gerardmus vond dat prima. Gerardmus vond veel dingen prima, zolang hij maar wist dat er ergens onderweg koffie en eten bestonden.
Ze reden langs eilanden, dammen en dijken tot ze eindelijk de zee zagen. Tenminste, dat was de bedoeling. Tussen hen en de zee stond een complete volksverhuizing van grote witte slakkenhuizen op wielen. Er zaten mensen voor op stoeltjes alsof ze daar persoonlijk door de koning waren neergezet om de horizon te bewaken. Daarachter lag modder. Heel veel modder. En ergens, vermoedelijk in Engeland, lag water.
De huismus keek ernaar. Vroeger zou ze gewoon gegaan zijn. Door het zand, over de modder, desnoods nog een duin erbij. Vroeger waren afstanden dingen die je aflegde. Tegenwoordig waren het onderhandelingen met haar lijf, en haar lijf was een buitengewoon vervelende onderhandelaar geworden.
Ze bleef zitten. Gerardmus reed verder.
Bij het volgende eiland was het niet beter. En bij het eiland daarna ook niet.
Toen begon de huismus te huilen. Niet netjes een traantje in haar ooghoek zoals prinsessen dat in sprookjes doen. Gewoon huilen zoals een huismus huilt wanneer ze verschrikkelijk kwaad is omdat haar vleugels nog aan haar lijf zitten maar weigeren te doen wat ze altijd gedaan hebben.
„Ik wil mijn oude vleugels terug,” zei ze.
Gerardmus zei niets. Dat was verstandig.
Ze reden verder. Langzaam droogden de tranen op. Er kwamen kleine weggetjes, oude dorpjes en velden die door de hitte zo geel waren geworden dat de huismus beweerde dat ze in Zuid-Frankrijk waren beland. Ze kwamen zelfs een enorm slakkenhuis op wielen tegen dat een weggetje volledig versperde.
„Verdwaald?” vroeg Gerardmus.
„Nee,” zei de bestuurder trots. „Wij kamperen hier.”
De huismus keek naar het weggetje, naar het gevaarte en naar de bestuurder.
„Natuurlijk,” zei ze.
Ze reden achteruit. Later kwamen ze bij een bijna lege plek waar een bord stond dat de zee vlakbij was.
„Vier minuten lopen,” zei Gerardmus.
De huismus keek naar haar vleugels. Haar vleugels zeiden niets. Dat was alvast winst.
Ze begon te lopen.
Na vier minuten was ze nog lang niet bij de zee. Na tien minuten evenmin. Na vijftien minuten begon ze te vermoeden dat degene die het bord had geplaatst waarschijnlijk een jonge ooievaar met sportschoenen was geweest.
Maar na twintig minuten stond ze boven op het duin. Daar lag de zee.
Dichtbij.
Geen kilometers modder. Geen rijen mensen. Geen witte slakkenhuizen. Gewoon water.
De huismus liep naar beneden en ging erin. En daar gebeurde iets merkwaardigs.
Op het land waren haar vleugels moe, haar poten zwaar en was ieder stukje afstand een rekensom geworden. Maar zodra het water haar droeg, hield dat allemaal even op. Ze dreef. Ze zwom. Ze liet zich door de golven optillen en weer neerzetten.
Toen stak op een paar meter afstand een rond hoofd boven het water uit.
Een zeehond.
Hij keek naar de huismus.
De huismus keek naar de zeehond.
„Nou?” leek de zeehond te vragen.
„Nou wat?”
„Je bent er toch?”
De huismus wilde uitleggen hoeveel moeite het had gekost. Over haar vleugels beginnen, over vroeger, over bergen en verre wandelingen en alles wat niet meer ging.
Maar de zeehond dook onder. Zeehonden hebben weinig geduld met lange verhalen. Even later verscheen hij een eindje verder weer boven water.
De huismus begon opnieuw te huilen.
Gerardmus keek bezorgd.
„Nu weer?”
„Hou je mond,” zei de huismus. En ze zwom verder.
De volgende dag vonden ze nog een meer. Ze parkeerden zo dicht mogelijk bij het water, want ook in sprookjes hoeft een mens niet achterlijk te doen, en opnieuw ging de huismus zwemmen.
Daarna reden ze naar huis.
Toen hun eigen dak eindelijk weer in zicht kwam, voelde de huismus iets wat ze op geen enkel eiland, aan geen enkele zee en in geen enkel hotel had gevoeld: ze was blij dat ze weg was geweest.
Maar nog veel blijer dat ze weer thuis was.
Ze streek neer bij haar eigen nest, schikte wat aan een paar takjes, plofte neer en keek naar Gerardmus.
„Volgende keer blijven we gewoon thuis.”
Gerardmus knikte. Hij wist inmiddels wel beter.
Ergens voor de kust stak een zeehond zijn kop boven water. Hij keek even rond en dook weer onder.
De zee liep niet weg.
Als moed uit je schoenen glijdt dan lees ik dat toch als nog méér leeg en nog méér vermoeid dan als die moed erin zakt. Dus onbewust toch goed gezegd nah!
Zo fijn dat je veel hebt kunnen zwemmen!