Flink zo !

Buurman hoest.
Niet een beetje, maar diep. Hard. Zo'n hoest die uit een mens komt alsof zijn longen al jaren iets willen zeggen en daar nu pas toestemming voor gekregen hebben.

's Avonds zit hij buiten. Halve nachten soms. En dan klinkt het door de tuin. Hoest. Stilte. Hoest. Stilte. Het heeft iets koppigs. Alsof hij met zijn eigen lichaam ruzie aan het maken is.
Ik ken hem eigenlijk niet echt. Op straat zeggen we hallo. Meer niet. Maar door dat hoesten is hij tegenwoordig elke avond een beetje op bezoek.

Vreemd eigenlijk, hoe mensen ongemerkt in je leven kunnen sluipen. Niet via gesprekken of vriendschap. Gewoon via geluid.

En dan begin ik te denken. Dat gebeurt meer tegenwoordig. Zo 's nachts, of 's morgens vroeg, achter de PC
Vroeger dacht ik minder. Of misschien dacht ik evenveel, maar stak ik alles ergens weg. In een schuifje. Mensen van mijn generatie deden dat. Ge voelde iets, ge duwde erop, en klaar. Maar tegenwoordig komt van alles zomaar teruggewandeld.

En ineens moest ik denken aan school. Niet aan rekenen. Niet aan turnen. God beware me. 
Maar aan opstellen schrijven.

Ik deed dat graag. Triestige opstellen vooral.

Ik weet niet waarom. Misschien omdat verdriet gemakkelijker schrijft dan geluk. Geluk zit gewoon wat te bestaan. Verdriet maakt lawaai. Donkere wolken, verlaten kinderen, kale bomen in regenweer — dat soort ellende.

Ik was goed in regen. Ik kon regen laten vallen alsof ik hem zelf gemaakt had. Op daken. Tegen ramen. Op vensterbanken waar hij zacht lag te sissen. Precies echt.

En boeren. Van die zwijgende mannen met handen als schuurpapier en gezichten die eruitzagen alsof ze te lang buiten hadden gehangen.
Die kwamen dan thuis van hun veld, aten zwijgend hun pap en gingen met de kippen op stok.

Ik schreef dat er altijd bij. Niet omdat het belangrijk was. Maar omdat ik die uitdrukking mooi vond.

En misschien ook omdat ik vermoedde dat de meester dat graag las.
En onderaan mijn blad stond dan in rode inkt:

Flink zo!

Ik zie dat nog voor mij. Dat rood.
Niet die woorden zelf. Dat uitroepteken. Dat was belangrijk. Dat was geen inkt. Dat was aandacht.

De meeste verhalen ben ik vergeten. Maar eentje herinner ik me nog.

Dat ging over een klein jongetje. Rob. Een ongelukkig ventje dat woonde in een huis waar de muren kou uitademden en waar dingen nooit uitgesproken werden.

En Rob hoestte.
Zo'n droge, schurende hoest. Net als buurman nu.

Of zoals die oude man — ik was nog kind — vroeger in onze straat. Die van den oorlog. Als het mooi weer was zetten ze hem buiten in een zetel. En daar zat hij dan.
Dagenlang.
Te hoesten.
"Gas," fluisterden de mensen. En meer werd daar niet over gezegd.
Ik herinner me nog dat ik dacht dat gas blijkbaar iets verschrikkelijks moest zijn. Want volwassenen begonnen ineens stiller te praten.

En die man bleef hoesten.

Ik liet Rob ook zo hoesten.
En natuurlijk regende het.
Bij mij regende het altijd.

Vreemd eigenlijk.
Tegenwoordig schrijf ik nog altijd.
Alleen noem ik het geen opstellen meer maar blogs.
Over ziek zijn.
Over wakker liggen.
Over verdwalen in mijn eigen hoofd.
Over dingen verliezen.
En blijkbaar schrijf ik nog steeds over regen.
En mensen die hoesten.

En dan komt er ergens een reactie. Een paar woorden. Een glimlach. Een duimpje.

En dan denk ik dat ik eigenlijk nog een beetje hetzelfde gebleven ben.

Dat kleine ventje van vroeger zit nog ergens binnenin. Nog altijd een beetje te wachten.
Niet op applaus. Gewoon op iemand die zachtjes, bijna tussen de regels door, zegt:

Flink zo, Mr willy.

Maar toch met een uitroepteken erachter

14 reacties

Opstellen schrijven, in het lager onderwijs viel het zeer goed mee, kreeg ik hoge punten. Waarover ik schreef, ik weet het niet meer.

In het middelbaar onderwijs werd het al wat minder, de normen waren strenger. En zeker die verhandelingen tijdens de laatste twee jaren waren soms een echte afgang.

En regen, dat is voor mij ook steeds een klein drama geweest...maar ik schreef er niet vaak over.

Marc.šŸ‘šŸ‘

 

Laatst bewerkt: 20/05/2026 - 09:31

Ik herinner me maar 1 opstel.
Op het vervolgonderwijs, we mochten zelf een onderwerp kiezen.
Het mijn was Eerlijkheid, en het ging eigenlijk over hoe oneerlijk mensen vaak waren, en voor hoeveel problemen dat zorgde.
En mijn overtuiging dat eerlijkheid, het beter zou maken.
Heel naĆÆef natuurlijk, maar de leraar was er zo van onder de indruk, misschien omdat het veel meer kantjes waren als werd gevraagd, dat hij de leerlingen van de drukkersopleiding er een boek van heeft laten maken.
Zijn plan was, om het in de schoolbibliotheek te plaatsen, dus daar zou het nog steeds moeten staan.

En dan jouw hoestende buurman, die je eigenlijk niet kent, misschien moet je toch eens het gesprek aangaan, vragen hoe het met hem gaat.
En heel misschien, vindt hij het heel fijn, om aanspraak te hebben.
En nog misschiener, vraag je hem, of hij een lekkere cappucino wil drinken, jouw lijfdrank.

Jij zit eenzaam achter jouw PC, en hij hoest eenzaam.
Ik zie iets moois ontstaan, en als je een Nederlander zou zijn, zou je zeggen, het volgende kopje doen we bij jou, kostenbesparing, weet je wel.

šŸ˜œšŸ˜šŸ˜šŸ«‚šŸ˜˜Peter

Laatst bewerkt: 20/05/2026 - 16:11

Ik lees dit alles nog een keer en geblokkeerde herinneringen komen boven. Ik schreef een opstel voor mijn examen Nederlands. Het thema was 'spijt'. 

ik schreef over mijn magere, zieke vader. Die wekenlang in de slaapkamer achter de keuken lag, op onze boerderij. Longkanker, dat woord was een keer uitgesproken. De longarts kwam zelfs een keer thuis. M'n vader ging in het begin nog met de ambulance naar het ziekenhuis voor bestralingen. Het smalle weggetje waaraan wij woonden in the middle of nowhere werd er voor verbreed, omdat mijn vader verging van de pijn wanneer de ambulance de berm in moest voor tegenliggers. M'n broer en ik trokken ons terug naar boven, op zolder, naar onze slaapkamers en onze muziekinstallaties.

Een half jaar lag mijn vader daar te creperen, ik schreef het in mijn opstel. Op een dag sleepte hij zichzelf uit bed, om nog een keer bij ons aan tafel te eten. Als het mooie gezin wat we eens waren. Hij hoestte, moeizaam en voorzichtig, zo plotseling rechtop zittend. Het duurde lang. "Hoest toch eens goed!" zei m'n broer. "Dat doet teveel pijn", stamelde hij. Ik schreef in mijn opstel dat ik het was die dat zei. En dat ik er zoveel spijt van had. Mijn vader stierf, ruim een jaar voor dat eindexamen. En ik had een 9,5 voor dat opstel.

Laatst bewerkt: 20/05/2026 - 16:42

Lieve Frie.

Wat pijnlijk mooi verteld. En beeldend
. Een slaapkamer achter de keuken. Een weggetje dat verbreed wordt voor een ambulance. Twee jongens boven op zolder met hun muziek, terwijl beneden een wereld langzaam kleiner werd.

En die ene zin...

"Hoest toch eens goed."

Zoiets kan een mens blijkbaar een leven lang blijven achtervolgen. Terwijl ge toen gewoon een jong meisje waart, zonder handleiding, zonder te weten dat sommige woorden zich ergens diep vastzetten en jaren later ineens terug boven komen drijven.

Maar wat mij misschien nog het meest raakt, is dat ge dat toen in een opstel hebt durven schrijven. Niet zomaar een verhaaltje voor Nederlands, maar iets waar ge blijkbaar een stuk van uzelf hebt ingelegd.

En die 9,5... ja. Da's bijna vreemd eigenlijk. Alsof ge punten kreeg voor iets wat ge waarschijnlijk liever nooit had meegemaakt.

En ineens begrijp ik ook waarom buurman zijn hoest mij terug naar vroeger bracht.

Sommige geluiden verdwijnen precies nooit helemaal.
ā¤ļø

Laatst bewerkt: 20/05/2026 - 17:47

Mooi. Dank
Toen ik klein was waren de scholen nog niet gemengd. Het lager onderwijs voor mij was dus in een jongensschool. Meisjes, dat waren schepsels van een andere planeet.
Maar in het vierde leerjaar hadden wij een juf als meester. Een meesteres dus. Iets uiterst zeldzaam in die tijd. 
En als we iets heel goeds gedaan hadden dan beloonde die ons met een kus.
Nou, wij gingen dus voor haar door het vuur. 

Laatst bewerkt: 24/05/2026 - 18:28