Deuteronomium 14.3

Eten is voor mij altijd al belangrijk geweest. Veel en goed. Niet uit gulzigheid, maar omdat het leven met een goed bord eten en een degelijk glas wijn een stuk draaglijker wordt. En nu ik mijzelf nog altijd tot de categorie “kankerlijers die nog redelijk functioneren” mag rekenen, moet ik eerlijk toegeven dat lekker eten en drinken misschien wel mijn grootste, en tegelijk meest tastbare, genoegen is geworden.

Het wildseizoen is al een tijdje voorbij, maar in de vriezer ligt er gelukkig nog wel het een en ander. Een hazenrug, een portie hazenpeper, een halve fazant, en ergens nog een patrijs die daar geduldig ligt te wachten tot hij weer eens op mijn bord belandt. Dat geeft, vreemd genoeg, een zekere geruststelling: want wat er ook verandert in het lichaam, in de onderzoeken, in de gesprekken met dokters, er ligt tenminste nog iets in de vriezer dat gewoon bedoeld is om van te genieten, zonder bijsluiter, zonder prognose.

Al is er op dat vlak de laatste jaren wel iets veranderd. Michel Van den Bossche kijkt mee over mijn schouder, en van die man mag bijna niks, alleen wat veldsla. En mijn dokter vindt ook dat er soorten vlees zijn die ik beter niet eet, wegens de cholesterol. Mevr Willy kijkt trouwens ook met argwaan naar alles wat ooit vier poten heeft gehad. Maar goed, als 72-jarige kankerlijer staat mijn cholesterolgehalte eerlijk gezegd vrij laag op mijn prioriteitenlijst. Er zijn, laat ons zeggen, andere grafieken die tegenwoordig meer aandacht opeisen dan die van mijn vetwaarden.

Vroeger loste ik dat probleem vrij eenvoudig op: met de bijbel. Want als er nu één autoriteit was die mij culinair geruststelde, dan was het wel de God uit het Oude Testament, die vrij genereus had meegedeeld dat de mens, Mr Willy dus, alles mocht eten wat kroop, vloog of zwom.
Genesis 9:3: “Al wat zich roert, dat levend is, zal u tot spijze zijn; Ik heb het u alles gegeven, gelijk het groene kruid.”

Duidelijk toch, en dat moeten ze me dan ook geen twee keer zeggen. Trouwens, waar gaan we naartoe, als je God niet meer mag geloven? Van God mocht alles.

Ik hield het dus bij de bijbel. Het boek der boeken.

Tot ik, tegen beter weten in, eens in Deuteronomium begon te lezen. En daar bleek dat God zich na verloop van tijd toch een beetje had bedacht.
Want wat lees ik:
Deuteronomium 14:3: “Gij zult geen gruwel eten.”
En dan is er ineens sprake van reine en onreine dieren.

Rund, schaap, geit, hert, gazel, antiloop, steenbok, en elk dier dat gespleten hoeven heeft en herkauwt — die waren eetbaar. Dat is al heel wat. Maar toen ik verder las, was ik toch licht ontgoocheld. Want daar stonden ze plots, de beesten die als onrein werden bestempeld: de kameel, de haas, de klipdas en het varken.

Daar gaat mijn hazenrug en mijn hazenpeper, én mijn spek, én mijn ribbetjes. Want van die kameel en die klipdas, dat is niet zo erg. Die heb ik toch nog nergens op een menukaart zien staan. Maar de haas, dat werd ineens een theologisch probleem op mijn bord.

En toen ik ook nog de lijst van verboden vogels overliep, schrok ik toch wel even. Ik herkende diezelfde God niet meer die in het begin zo gul had gezegd dat alles tot spijze mocht dienen. Plots werd er ingedeeld, gesorteerd, gezuiverd. Rein. Onrein. Eetbaar. Niet eetbaar. Alsof zelfs de schepping achteraf nog een soort dieetlijst kreeg opgelegd.

Nu ja, eerlijk is eerlijk: ook ik heb mijn grenzen. Honden, katten, kanaries, aquariumvisjes… daar hoeft niemand mij zelfs geen saus bij te serveren. Mijn keel zou al dichtklappen nog vóór de eerste hap. Dus ergens begrijp ik die menselijke neiging tot indelen wel, al vind ik het woord “onrein” toch wat streng voor een dier dat, laten we eerlijk zijn, gewoon zijn best gedaan heeft om lekker te zijn.

In andere landen eten ze weer dingen waar wij van huiveren, en laten ze net ons eten staan. Iedereen heeft zo zijn eigen lijstjes, zijn eigen logica, en vooral zijn eigen geweten dat zich pas laat horen wanneer het bord al gevuld is.

En zo zit ik daar dan, met mijn bord wild, een goed glas wijn en een lichaam dat ondertussen zijn eigen strijd voert, los van wat er op tafel ligt, soms wat te filosoferen. 
Nou, tegen dat het denken echt begint, is de hazenpeper meestal al op, en blijft er vooral een leeg bord over, een stille dankbaarheid dat er nog smaak is.

 

5 reacties

hmmm een blog over vlees en God gelezen door een atheïstische vegetariër.. 

De rebel in mij komt boven.... die rebel die dwars is van redelijkheid en billijkheid. de rebel die strijdt voor dierenrechten en die even vergeet dat ze vindt dat mensen gemaakt zijn om vlees te eten en wel degelijk gelooft in leven na de doodt... 

Mijn beste Willy... overdenk u zonde, de bijbel zegt toch ook dat gij niet zult doden.... hoe kunt ge dan wel vlees eten?

Ik hoop dat u de grijns op mijn gezicht ziet bij deze reactie :D

Maar toch zit er een kern van waarheid in en het is dat, wat ik me altijd afvraag ... hoe kan de mens zo ontwikkeld zijn en zo geloven in een God van wie zij niet mogen doden, maar ondertussen dagelijks miljoenen dieren naar de slachtbank brengen (en mensen overigens ook, maar dan heet het oorlog oid)... Ik ben niet tegen vleeseten, maar zo ontwikkeld als we zijn, zo wreed gaan we om met het leven op aarde... Ik vraag me altijd af wat God daarover zegt als we aan de hemelpoort staan. 

Laatst bewerkt: 28/02/2026 - 01:35

He Marjolijn

“Ge hebt daar natuurlijk een punt, en ik zie die grijns wel degelijk voor mij.

Als ik eerlijk ben, zit daar ook een flinke portie hypocrisie in, en dat besef ik maar al te goed. De mens heeft doorheen de hele geschiedenis het dier bijna altijd in dienst gesteld van zichzelf. Was het niet om op te eten, dan was het om het land te bewerken, lasten te dragen, oorlogen te voeren, te jagen voor het plezier, of — moderner — om in labo’s gebruikt te worden voor wetenschap. Altijd met een verhaal erbij dat het ‘nodig’ was.

Dat maakt het moreel niet plots zuiverder, hoogstens verklaarbaarder.

Ik kan dus moeilijk doen alsof ik moreel verheven ben omdat ik een stukje vlees op mijn bord leg en tegelijk filosofeer over goed en kwaad. Dat is een spanningsveld waar de mens al eeuwen in leeft: empathie voor het leven, en tegelijk afhankelijkheid van datzelfde leven om te overleven — of tegenwoordig ook gewoon om te genieten.

En ja… misschien is de meest eerlijke conclusie wel de minst heroïsche: ik ben geen heilige, maar een mens met gewoontes, smaak en tegenstrijdigheden.
Mocht vlees smakeloos zijn als karton, denk ik ik dat driekwart van het morele debat spontaan zou opgelost raken.

Tot die tijd blijft het een ongemakkelijke waarheid: we zijn ontwikkeld genoeg om vragen te stellen over wreedheid, maar blijkbaar nog altijd mens genoeg om er niet consequent naar te leven.”

Laatst bewerkt: 28/02/2026 - 06:12

In mijn zoektocht naar gezond eten ivm de kanker van man, las ik eens: in een zieke wereld kan je geen gezond leven leiden. 
En ook ontdekte ik zelf dat ik enorme artrose pijn kreeg als ik koolhydraten at. Pasta, suikers, bonen, aardappelen rijst.  Mijn lichaam zette de koolhydraten om in vetten, hoe weinig ik ook at. 
Er kwam weer een zoektocht. Ik at vervolgens precies dat wat bij mijn stofwisseling goed paste en waar ik dus gezonder door werd. 
Een natuurarts zei ons: Eet wat zwemt, vliegt of rent, naast  groente en fruit. 
Het bevalt ons prima! 

Lekker blijven eten wat goed voelt en vooral af en toe even de vriezer induiken…

Liefs Fram 
 

Laatst bewerkt: 28/02/2026 - 09:48

Gewoonte dieren met hypocratie, dat is denk ik de juiste conclusie, maar dat geldt denk ik voor nagenoeg iedereen. Uiteindelijk worden we het oudst als we de veilige gewoontedingen doen en altijd voor onszelf kiezen....

En fysiek gezien zijn we vleeseters, dus met vlees eten heb ik totaal geen moeite, met wild zelfs nog minder omdat dat de wet van de sterkste is en zo is de natuur ook bedoeld.... tenzij het natuurlijk gaat over een paar dronken kerels die op tamme kalkoenen staan te schieten.... 

Laatst bewerkt: 28/02/2026 - 09:48