Het Wolvenwelpje met de Wintervonken
Geen Kerstmis zonder kerstverhaal
En dit is geschreven met de gewaardeerde medewerking van Hans Christian Andersen
Het was koud in het Winterwoud, bitter koud. Zo’n kou die alles stiller maakt, zelfs de bomen, alsof ze bang zijn om geluid te maken. De sneeuw lag hoog en hard, en de nacht leek langer dan andere nachten. Het was de laatste nacht van het jaar.
Door het woud liep een klein wolvenwelpje. Ze liep niet snel en ook niet speels, maar voorzichtig, alsof elke stap pijn deed en elke stap er één te veel was. Haar vacht was dun geworden en op sommige plaatsen helemaal verdwenen. De sneeuw brandde onder haar poten, want de zachte kussentjes waren weg, langzaam opgegeten door kou en honger.
In haar bek droeg ze een oud leren zakje. Het was versleten en stug van de kou. Daarin zaten wintervonken: kleine twijgjes die even konden branden wanneer je ze langs ruw hout streek. Haar moeder had ze ooit verzameld, één voor één, met een zorg die het welpje toen niet begreep. Maar haar moeder was dood. En de roedel ook. En zonder roedel is een woud geen plek meer, maar iets waar je in verdwaalt.
Het welpje had geprobeerd de vonken te ruilen. Ze had ze aangeboden zonder te janken of te smeken, zoals haar moeder haar had geleerd. Maar niemand gaf haar iets. Eén wolf nam zelfs een vonkje en zei lachend dat hij het later wel zou gebruiken voor zijn eigen welpen.
En nu was ze alleen. Helemaal alleen.
Sneeuw bleef hangen in de plukjes vacht rond haar oren en in haar hals. Ze schudde niet meer; daar was ze te moe voor. Ze dacht niet aan vroeger, want dat deed pijn. Ze dacht ook niet aan morgen. Ze dacht alleen aan warmte. Aan holen waar wolven dicht tegen elkaar lagen, zo dicht dat je elkaars adem voelde. En aan eten. De geur ervan hing in het bos, scherp en gemeen, alsof het haar bleef roepen zonder haar te willen.
Tussen twee uitgeholde boomstammen vond ze een smalle plek waar de wind iets minder hard blies. Ze kroop erin en rolde zich op, haar poten strak tegen haar lijf gedrukt, alsof ze zichzelf wilde vasthouden. Maar de kou gaf niet op.
Toen keek ze naar het zakje.
“Eén vonkje,” dacht ze.
Niet om gelukkig te zijn. Alleen om het even uit te houden.
Ze streek het twijgje langs de stam.
Ffftsch.!!
Een klein vlammetje sprong op. En in dat licht zag ze hun oude hol. Mos tegen de wanden, droge bladeren op de grond. Haar moeder lag daar, groter dan in haar herinnering, rustiger ook, alsof niets haar nog pijn deed. Het welpje zette een stap naar voren.
“Mama…”
Maar het licht doofde.
De stam was weer koud. De nacht weer zwaar.
Ze stak een tweede vonk aan.
Nu lag er vlees voor haar, warm en dampend. De geur was zo sterk dat ze diep inademde, te diep. Haar lijf reikte ernaar zonder te vragen. Ze stak haar poot uit....
Toen was het weg.
Ze stak een derde vonk aan.
Een grote dennenboom verscheen, vol lichtjes. Ze leken op vuurvliegjes en sterren tegelijk, alsof de nacht zichzelf even wilde versieren. Het was zo mooi dat het welpje haar tanden op elkaar zette om niet te huilen.
Toen doofde ook dat licht.
Eén ster viel.
“Een ziel,” fluisterde het welpje, zoals haar grootmoeder altijd zei. Grootmoeder, die nooit beloofde dat alles goed zou komen, maar die wel bleef, zolang ze kon.
Ze stak nog een vonk aan.
Daar stond Grootmoeder. Niet licht en niet vaag, maar warm en echt. Haar vacht rook naar vroeger. Ze zei niets.
“O, Grootmoeder,” zei het welpje zacht. “Ga niet weg.”
In haar haast streek ze alle vonken tegelijk aan. Het licht werd zo fel dat de nacht geen plaats meer had. Grootmoeder boog zich voorover, nam het welpje voorzichtig op, alsof ze wist hoe breekbaar het was, en samen gingen ze omhoog, langs de sterren, weg van kou en wachten.
De volgende ochtend vonden de dieren het wolvenwelpje tussen de bomen. Ze lag rustig, met haar poten netjes bij elkaar, alsof ze eindelijk had leren slapen. Naast haar lagen de verbrande vonkjes.
“Ze heeft zich willen warmen,” zeiden ze.
En dat was waar. Maar niet alles.
Want die nacht was het wolvenwelpje niet gestorven van de kou.
Ze was gewoon meegereisd met haar grootmoeder
10 reacties
Potverdorie! Zo raak ik wel erg gauw door mijn zakdoekjes heen. Eerst die triologie, je weet wel, en nu dit weer.😪
Mooi Willy. Jouw fantasie is eindeloos! Ben ontroerd
Weer een prachtig verhaal, Willy. Spreekt ontzettend tot de verbeelding. Het leek wel of ik er zelf bij was. Prachtig. Dank je wel.
Het doet me denken aan het meisje met de luciferstokjes. Eenzaam en alleen, die ook met haar grootje ten hemel was gestegen.
Een prachtig en ontroerend verhaal, het meisje leed zo'n kou en binnen in de huizen waren de tafels voorzien van copieuze maaltijden. Maar voor haar waren die feesten onbereikbaar.
In onze huidige wereld denk ik dat er veel van die mensen ronddwalen. Die verlangen naar hun moeder of oma daarginder, boven. Die hier niets meer hebben en onzichtbaar lijden.
Marc.👍👍
Het enige sprookje waar ik als kind al om moest huilen en nu zit ik hier weer met prikogen. 😢
Merk sinds ik aan ADT en de Enza. zit. Ik veel veel zachter ben geworden dat is dan de enigste positieve bijwerking,sinds het verdwijnen van mijn testosteron. Dus ik moet ook weer janken ,toch ook wel lekker ff janken.
Ach willy toch daar zijn ze dan de waterlanders 😢pfftt elke maand in december vroeg ik voor het slapen gaan aan mijn moeder of ze het meisje met de zwafelstokjes wilden voor lezen ,en dat deed ze en ik hing aan haar lippen ,en elk jaar als ze weer naar binnen was sloop ik zachtjes via de bakondeur naar buiten ,ik had eerder op de avond al 1 lucifer en n stukje van het doosje gestolen ,dan stond ik daar in de kou op mn blote voeten het stokje aan te steken in de hoop dat iemand mij mee zou nemen wat uiteraard nooit gebeurde .
Je raakt mij in mijn ziel met deze versie 🤍 liefs hes🕯
Hartverscheurend kerstverhaal van het kleine wolfje. H.C. kan trots op je zijn.
Snif snuf.....
Snik snik