HOE GA JE ERMEE OM ?

Je leeft met kanker, palliatief. Het kan nog drie maanden duren, of misschien vijf jaar, met veel of weinig lijden—maar hoe dan ook weet je dat je tijd op is. Het enige dat je, heel voorzichtig, zelf in handen hebt, is het moment waarop je afscheid neemt. Een moment dat je kunt vervroegen, als alles ondraaglijk wordt. Maar verder? Verder kun je alleen hopen.

Hopen dat je aan de goede kant van de statistieken belandt en gewoon, heel gewoon, aan ouderdom sterft. Hopen op een wondermiddel dat op een dag de kille werkelijkheid doorbreekt. Of hopen op… ja, op wat? Het blijft gissen.

En ondertussen? Ondertussen probeer je er het beste van te maken, uit het leven te persen wat er nog te persen valt. Maar hoe je het ook bekijkt, hoe hard je het ook probeert te relativeren, dat ene woord—kanker—raast ongenadig door je hoofd. Van de ochtend tot de avond, als een donderwolk die geen zonnestraal doorlaat.

En ik ben stikjaloers op die mensen die zeggen dat ze hun kop in het zand kunnen steken, kunnen leven in het nu, alsof niets aan de hand is. “God schept de dag, en we zien wel,” zeggen ze, alsof dat hen rust brengt. Maar dan zie ik ze hier, in de gespreksgroepen, met ogen vol angsten en vragen, en ik weet: het is niet zo eenvoudig.

De meesten vinden uiteindelijk hun manier, hoe wankel of zeker ook. De een met meer gemak dan de ander. Ik heb het geluk dat mijn lijf het, vreemd genoeg, nog behoorlijk goed doet. Dat ik alles kan bekijken met een snuf humor en een flinke scheut zelfspot. En ja, dat er deze gespreksgroepen zijn, waar je de zware woorden kunt delen, waar je het hart even lucht kunt geven.

Maar waar ik het loodzwaar mee heb, is het idee dat Mevr. Willy straks alleen achterblijft. Vijftig jaar samen, en ik ben altijd haar rots geweest, haar toevlucht. Als ik dood ben, is het voor mij voorbij, is er geen verdriet meer. Maar dan begint voor haar pas de echte eenzaamheid, de rouw, de leegte. Het doet pijn te weten dat ik haar daar niet voor kan beschermen.

Mevr. Willy wil er niets van horen, kanker is een woord dat zij het liefst ver weg stopt. We praten er nauwelijks over. Wachten tot het terminale stadium komt, tot praten onvermijdelijk wordt? Dat voelt als uitstel van het onbespreekbare. En ja, iemand blijft in elke relatie altijd alleen achter. Maar dat maakt de angst en de pijn niet minder. Daar helpt geen humor tegen.

Soms hoop ik dat zij me voorgaat, pijnloos, een hartaanval die haar zachtjes weghaalt. Dan bespaar ik haar de ellende van mijn aftakeling, de ellende van een leven zonder mij. Maar zelfs die gedachte is een wanhopige vlucht naar de onmogelijke.

51 reacties