“An, de volgende minuut..”

Ik voel me vaak een verzameling losse flarden, een collage van andermans verwachtingen. Vroeger, voor de kanker, was er een verhaal. Een lijn. Ik was die individualist, die eigenwijze, die zijn eigen plan trok. Die identiteit was een harnas, maar ook een huis. Met de diagnose  viel in één klap dat huis om. De muren bleken van karton. De zekerheden? Kaartenhuis. Je staat plots op een plek waar de grond onder je voeten wegzakt, en je beseft: ik heb geen idee meer wie ik ben. En dat is niet eens het ergste. Het ergste is dat anderen denken dat ze het weten. Ze kijken je aan met die blik. De blik van 'je bent een vechter'. Of 'je bent een zielig mens'. Of 'je bent een inspiratie'. Of, misschien wel het meest pijnlijke: 'je bent sterker dan je denkt'. Alsof zij het kunnen meten. Alsof zij bij mij naar binnen kunnen kijken en kunnen zeggen wat er in mij omgaat. Maar ik ben geen van die dingen. Ik ben niets van dat alles. Ik leef in stilte en hoor ik nergens meer bij. Het oude clubje past niet meer, nieuwe clubjes wil ik niet. Dus wat rest er? Wat is vrijheid voor mij? Vrijheid is niet het doen wat ik wil. Dat heb ik geprobeerd. Vrijheid is het erkennen van de afgrond. Het is de stilte waarin je niet meer hoeft te doen alsof. Het is het loslaten van de vraag 'wie ben ik?' en het omarmen van de vraag 'wat is er nu?'. Misschien is vrijheid wel de moed om te zeggen: ik weet het niet. En dat te omarmen als een vorm van vrijheid. Maar eerlijk? Soms lukt dat niet. Soms zit ik vast in mijn eigen hoofd en draaien de gedachten maar door. Wie ben ik nu? Waar hoor ik bij? Wat moet ik met de rest van mijn leven? En dan raak ik de weg kwijt. Dan identificeer ik me met die gedachten en voel ik me onveilig. Alsof ik in een donkere kamer sta zonder deur. De woorden hierboven, die ik net schreef, die voelen dan opeens ver weg. Alsof ze van iemand anders zijn. En dan zijn er andere momenten. Momenten waarop ik genoeg vertraag. Waarop ik niet in de war raak van alle vragen. Dan kan ik schrijven zoals dit. Dan vind ik die stilte weer. Dan voelt de ironie als een thuis. Dan is het oké dat ik niet weet wie ik ben, want ik hoef het niet te weten. Ik hoef alleen maar te zijn. Maar ik ga op en neer. Ik sta op en ik val weer. En dat is verwarrend. Soms denk ik dat ik het begrepen heb, en de volgende dag begrijp ik niets meer. En juist dan, als ik schrijf, kom ik weer bij die club. De club van ironie. De club van mensen die weten dat het allemaal geen antwoord heeft, en die daar vrede mee proberen te vinden. Ik ben geen wijze vrouw die het allemaal heeft doorzien. Een mens met onzekerheid. Een mens op zoek naar waarheid, die niet weet of die waarheid bestaat. En misschien is dat de enige echte waarheid. Dat ik het niet weet. Dat ik twijfel. Dat ik val en opsta en weer val. En dat ik ondanks dat blijf schrijven. Blijf zoeken. Blijf proberen. Compassie? Mededogen? Dat begon pas te dagen toen ik me realiseerde dat ik geen eiland ben. Als individualist onderschatte ik altijd de behoefte aan gemeenschap. Ik dacht dat ik genoeg had aan mezelf. Maar in die kale, rauwe periode van behandelingen, toen de spiegels me vreemden toonden, was het niet de filosofie die me droeg. Het was Thijs, een hartsvriend. Hij zat stond naast me, ik lag in m’n bed na chemo, en hij zei: "An, de volgende minuut ga ik je voet optillen en dan doe ik heel voorzichtig even je sokken aan. Daarna leg ik je voet weer neer en kom je bij. Daarna til ik je op en gaan we even naar het toilet." Zo eenvoudig. Zo verzorgend. Geen woorden over hoe het moest of wat ik voelde. Gewoon: ik ben er, ik doe wat nodig is, en ik vertel je precies wat ik ga doen zodat je niet bang hoeft te zijn. Dat is compassie. Niet het oplossen van andermans pijn. Compassie is het zien van de pijn, zonder weg te kijken. Het is erkennen dat we allemaal op datzelfde drijfzand staan, alleen de meesten doen alsof het beton is. En dan is er die ironie. Mijn reddingsboei. Mijn troost. Ik ben dol op ironie. Niet de spottende, cynische variant die mensen kleiner maakt. Nee, de tragikomische. Het besef dat het leven een grap is zonder pointe, maar dat we er zelf de lach bij mogen verzinnen. Het besef dat we, terwijl we worstelen met de grootste vragen, tegelijkertijd bezig zijn met de meest banale dingen. Dat we sterven en tegelijkertijd de afwas doen. Kanker heeft me dat extra scherp gemaakt. Je ligt in een ziekenhuisbed, omringd door piepende apparaten, en je hoort iemand op de gang lachen om een flauwe mop. Dat is de ironie. De ultieme gelijktijdigheid van het tragische en het alledaagse. En er is nog iets scherpers. Iets wat ik pas recent besefte. Dat ironie niet alleen is dat het leven doorgaat terwijl jij stilstaat. Het is ook dat je, terwijl je vecht voor je leven, ontdekt dat je hele leven eigenlijk een gevecht was tegen dingen die er niet toe deden. Dat je dacht dat je vrij was, maar dat je gevangen zat in je eigen verhaal over wie je was. En dat de kanker, hoe vreselijk ook, je bevrijdt van die illusie. Dat is de diepste ironie: je moet bijna sterven om te zien hoe je geleefd hebt. En dan te ontdekken dat je misschien helemaal niet wist hoe dat moest. Als ik tot iets moet behoren, dan is het wel tot die groep die de ironie herkent. De clan van mensen die weten dat we op drijfzand staan, en die toch hun schoenen uittrekken om te voelen hoe het zand tussen hun tenen doorsijpelt. De ironie is mijn geloof. Het is het besef dat alle antwoorden tijdelijk zijn en dat het universum geen bladwijzer heeft. Als ik me daaraan kan overgeven, als ik kan stoppen met vechten tegen de zinloosheid en gewoon kan zeggen: "Oké, grapje, ik doe mee," dan voel ik iets wat op geluk lijkt. Het is geen joelend geluk. Het is stil. Het is de ontspanning in mijn schouders als ik ophoud met het verdedigen van een ik die er niet meer is. Het is de troost van gezien worden. Niet gezien worden als de held of het slachtoffer, maar gezien worden in mijn meest kwetsbare, meest ironische, meest menselijke staat. Ik sta op drijfzand. Ik zak langzaam weg. En precies daarin, in die overgave, vind ik een vreemde, stille vrijheid. Soms haat ik de mensen die zeggen dat het goedkomt. Want ze weten het niet. Niemand weet het. Ze zeggen het om zichzelf gerust te stellen, niet om mij. En dat is oké. Ik verwacht niet dat ze het begrijpen. Ik verwacht alleen dat ze stoppen met doen alsof. Maar ik doe zelf ook alsof. Soms. Alsof ik het allemaal weet. Alsof ik sterk ben. Alsof ik geen angst voel. En dan, in een moment van eerlijkheid, val ik weer. En dat is oké. Dat hoort erbij. Want dit is geen les. Dit is geen handleiding. Dit is gewoon een poging. Een poging om te zijn wie ik ben, zonder te weten wie dat is. Een poging om te schrijven wat ik voel, ook als het verwarrend is. Een poging om de waarheid te vinden, ook als ik niet weet of die bestaat. En als je dit leest en je herkent jezelf? Dan zijn we samen. Dan zitten we samen in dat drijfzand, met onze schoenen uit, en voelen we het zand tussen onze tenen.

2 reacties