weerstand?
Het is al laat, veel te laat.... ik moet allang in bed liggen... ik wil niet... eindelijk voelt mijn hoofd weer een beetje als mijn hoofd en mijn lijf als mijn lijf.
Na een heerlijke zomer en eigenlijk best veel energie ga ik natuurlijk over mijn grenzen.... in combinatie met spierherstel van de slaapapneu overvalt de deken van vermoeidheid me. Dat is niet helemaal waar.... ik negeer de signalen tot lijf gewoon uit gaat en zo ben ik dagenlang zo moe dat ik nauwelijks een stap kan zetten.
Mijn hoofd zit vol plannen... maar elke stap is er één te veel. Ik klaag, maar ik mag niet klagen. Het slaapmasker doet zijn werk en goed ook... we zijn ruim 6 weken onderweg.... het werkt al een tierelier... maar herstel gaat langzaam en zoals het echte leven.... met pieken en dalen.
Hoe meer ik lees over de slaapapneu, hoe meer ik erachter kom hoe sterk mijn lijf en mijn geest zijn en hoe ziek ik was/ben en niet alleen door de CLL. De verzuring in mijn spieren en de spierpijn zijn al jaren aan de gang en waar de specialist nog zei, zoveel klachten heb je niet (door mijzelf aangegeven.... wat gewoon gewenning is, is geen klacht...), besef ik meer en meer hoeveel klachten ik wel heb.... maar ik negeerde ze.... ik deed alsof ze niet bestonden en ging gewoon door.
Mijn geest en lijf hebben een rare verstandhouding. Ze houden van elkaar en tegelijkertijd doen ze van alles om dat vooral niet te laten blijken. Ik wil eigenlijk schrijven ze haten elkaar, maar dat is niet zo. Ze houden echt van elkaar.... maar ze zijn beide zo verschrikkelijk stront eigenwijs..... En dus schreeuwt de maag om eten om vervolgens het signaal van misselijk te geven omdat het de signalen van het hoofd negeerde... gaan we door met tegels sjouwen omdat er nog 1 rijtje in moet, terwijl het lijf duidelijk zegt dat er pijn is en het niet meer gaat.
Hoofd en lijf zijn vooral in balans als er disbalans heerst.... het lijkt soms wel, dat als er balans komt.... één van de twee bewust keuzes maakt om weer chaos te creëren. We willen alle twee uit de overlevingsmodus, voor ons zelf zorgen, maar het is eng..,
Positiviteit komt met onzekerheid.... onzekerheid komt met angst en angst wordt geholpen door chaos.... chaos door disbalans zodat we op die manier sterk lijken en in de controel modus zitten.
We moeten samenwerken, willen samenwerken, willen verbinding, maar als die er dan is... dan wordt het eng... en dus stappen we eruit. Soms wint het hoofd en soms wint het lijf. Ik ben benieuwd wat de prostaatpers hier over kan schrijven... waarschijnlijk zal het zoiets worden als dat vrouwenlijf heeft helemaal geen prostaat en dus kunnen we er ook niks over schrijven, want die vrouwenbreins en -lijven zijn zoiets ... ja, hoe zullen we dat nou noemen... ongrijpbaar is denk ik het juiste woord. Als je denkt dat je er bent doe je weer iets anders.....
Gerard en ik zijn vandaag naar de tuinen van Appeltern geweest..... wat een heerlijke dag... eerst uitgeslapen en in bed liggen lezen op de i-pad omdat de regen letterlijk met bakken uit de lucht viel.... volgens buienradar is Appeltern droog vanmiddag en dus vertrekken we om een uur of twaalf richting Appeltern. We weten dat we toch maar hooguit paar uurtjes daar kunnen vertoeven vanwege mijn energie, dus we hebben geen haast. De regen valt nog steeds met bakken uit de lucht, maar hoe meer we naar het zuiden gaan, hoe droger het wordt. We krijgen er een zonnetje bij als we rond half twee aankomen. We moeten nog lunchen, dus we beginnen met een broodje waarna we heerlijk het park in lopen. Uiteraard op de loopfiets en wat is dit genieten! Uiteindelijk lopen we 2,6km.... met een, met moeite, actieradius van 200m zonder loopfiets, is dit dus echt heerlijk! We genieten van de prachtige tuinen en elkaar. Regelmatig zitten we op een bankje of stoel te kijken en doen we inspiratie op voor de voortuin. Het wordt nu toch wel echt tijd dat die ook afgemaakt gaat worden.
Na een uur of twee (en heel wat bankjes verder) gaat het licht een beetje uit. Ik ga even languit liggen op een bankje en Gerard doet een rondje op de loopfiets. Ik hoor hem alle kanten uit vliegen.... en moet lachen.... ik ben er inmiddels behoorlijk behendig mee, maar het is echt wennen aan de snelle reacties van de fiets. Weer een klein beetje opgeladen gaan we via de toeristische route het de tuinen weer uit. Het is lang geleden dat we gewoon zo leuk een dagje samen op pad waren.
De zware deken van de afgelopen week is weer een beetje van me af het lijf is weer een beetje aan ipv uit.
Eenmaal thuis merk ik dat ik zit te prieken om naar bed te gaan. Ik voel dat ik in de weerstand zit. Ik weet dat ik gewoon naar bed moet gaan en moet gaan slapen, want te laat naar bed en morgen een drukke dag op werk betekend gewoon, dat de zware deken morgen weer terug is....
en zo kom je bij de kern van deze blog.... dat hoofd is zo blij dat lijf eindelijk weer werkt, dat het wel lijkt alsof het hoofd het lijf wil straffen voor het niet functioneren... het hoofd weet wel dat lijf moet slapen.... maar hoofd wil gewoon even genieten van een lijf dat voelt als een lijf dat meewerkt ipv een lijf dat uitstaat.
Hoofd houdt van lijf dat aanstaat..... en wil dat lijf altijd aanstaat.... lijf gaat daar graag in mee.... want aan is leuker dan uit.... Beide weten dat ik moet gaan slapen om aan te blijven... beide zijn het eens dat we de slaap nog even uitstellen. Alle signalen dat ik moet gaan slapen worden zorgvuldig geblokt en zo is het inmiddels half drie in de nacht, moet ik nog was op hangen en morgenochtend om 10.00 in overleg zitten....
Morgen hebben hoofd en lijf spijt....en ik ook.... en toch ... toch ben ik blij dat ik dit geschreven heb.
Ooit komt er een dag dat het nuttig is, dat ik dit geschreven heb, dat ik ga teruglezen hoe ik groei en ontwikkel, hoe ik hoofd en lijf leer samenwerken en voor elkaar te zorgen. Het lijkt soms alsof ik helemaal niet ontwikkel en steeds weer terugval... maar dit is een bewuste terugval die ik ook omschrijf... en eigenlijk helemaal geen terugval.... vandaag was een dag met een gouden randje en ik had zelfs een half jaar geleden niet gedacht dat ik ooit genoeg energie zou hebben voor zo'n heerlijke dag vandaag in de tuinen van Appeltern.... Dat ik dan, priekend op de bank om niet te gaan slapen, daar gewoon nog even van wil genieten.... dat mag soms af en toe best... maar nu zijn hoofd en lijf het eens.... de slaap overwint en we gaan naar bedje toe....
1 reactie
Hoofd en Lijf
Er was eens een Hoofd dat boven in een klein kamertje woonde, achter twee ogen en onder een bos haar. Het had daar eigenlijk best naar zijn zin. Er waren twee ramen waardoor het naar de wereld kon kijken en kasten vol herinneringen.
En er was ook een grote tafel waarop iedere ochtend de plannen voor de nieuwe dag werden uitgespreid. Sommige waren heel verstandig, andere wat minder, maar Hoofd maakte daar zelf niet zoveel onderscheid in. Een plan was tenslotte gemaakt om uitgevoerd te worden.
Beneden woonde Lijf.
Dat bewoonde zowat de rest van het huis en Hoofd vond dat eerlijk gezegd nogal royaal. Twee armen, twee benen, een hart, longen, een maag en nog een hele verzameling onderdelen waarvan Hoofd meestal pas het bestaan opmerkte wanneer ze begonnen tegen te sputteren.
Ze woonden al hun hele leven samen, Hoofd en Lijf, en ze hielden veel van elkaar. Alleen waren ze er allebei bijzonder slecht in om dat te laten merken.
Wanneer Lijf 's morgens voorzichtig opperde dat het misschien verstandig was om het die dag wat rustiger aan te doen, schoof Hoofd zijn plannen over de tafel. Er moest nog iets in de tuin gebeuren, er waren boodschappen, iemand moest bezocht worden en als ze dan toch onderweg waren, konden ze evengoed nog even daar of daar langs.
"Dat kunnen we allemaal toch niet?" vroeg Lijf soms.
"Natuurlijk wel," zei Hoofd.
"Je bedoelt dat je het allemaal wilt," antwoordde Lijf dan, maar Hoofd hield niet van moeilijke vragen voor het ontbijt.
En dus gingen ze. Meestal ging dat nog goed ook. Lijf sjouwde, liep, werkte en droeg, terwijl Hoofd alweer bedacht wat ze daarna konden doen.
Als Lijf moe werd, begon het heel beleefd. Een spier die wat pijn deed, een arm die zwaar werd, benen die plotseling opmerkten dat er ergens een stoel stond. Hoofd merkte die dingen heus wel, maar het had een bijzonder talent ontwikkeld om signalen die niet in zijn plannen pasten over het hoofd te zien.
"Nog eentje," zei het dan. Nog één steen. Nog één rijtje. Nog één boodschap. Nog even verder.
Lijf was trouwens geen haar beter. Het kreunde, protesteerde en mopperde, maar deed meestal gewoon mee. Misschien omdat het zelf ook graag wilde geloven dat Hoofd gelijk had.
Tot het op een dag niet meer ging. Lijf ging uit.
Niet helemaal natuurlijk. Het hart bleef kloppen en de longen bleven ademen, want zelfs een uitgeput Lijf weet waar de grens ligt. Maar de armen werden zwaar, de benen wilden nergens meer heen en de trap, die er gisteren nog heel gewoon had uitgezien, was in de nacht veranderd in een berg.
Hoofd zat boven in zijn kamertje en keek naar de tafel. Daar lagen de plannen nog precies zoals het ze had achtergelaten. Het nam er eentje op, bekeek het en legde het weer neer.
"Lijf?" vroeg het. Er kwam geen antwoord.
"Zullen we even naar buiten?" Lijf trok alleen de deken wat hoger.
De volgende ochtend probeerde Hoofd het opnieuw, en de ochtend daarna ook. Maar de plannen bleven liggen en sommige begonnen aan de randen al een beetje om te krullen.
Het werd stil in het kamertje achter de ogen. Hoofd keek door zijn ramen naar mensen die wandelden, werkten, lachten en ergens naartoe gingen. "Dat deden wij vroeger ook," zei het op een avond.
"Ik weet het," antwoordde Lijf.
Hoofd wilde zeggen dat Lijf beter zijn best moest doen. Lijf wilde zeggen dat Hoofd misschien wat eerder had moeten luisteren. Maar geen van beiden zei het.
Want er bestaan woorden die volkomen waar zijn en die je toch beter niet uitspreekt tegen iemand van wie je houdt.
Zo verstreek de tijd, totdat Lijf op een ochtend wakker werd en ergens diep vanbinnen iets voelde wat het lang niet gevoeld had. Het was maar een klein beetje kracht, nauwelijks genoeg om erover op te scheppen, maar voldoende om op te staan en zich aan te kleden.
Hoofd merkte het onmiddellijk. Het trok de gordijnen open en riep verheugd: "Je bent er weer!"
Lijf keek een beetje beledigd. "Ik ben nooit weggeweest."
"Je weet best wat ik bedoel." En dat wist Lijf inderdaad.
Die middag gingen ze naar een tuin. Een grote tuin was het, met kronkelende paadjes, oude bomen en bloemen in zoveel kleuren dat zelfs Hoofd, dat toch overal graag een naam voor had, het op den duur opgaf. Er stonden ook bankjes. Merkwaardig veel bankjes. Vroeger zou Hoofd ze nauwelijks hebben opgemerkt, maar die middag leerde het ze allemaal kennen: het houten bankje onder de oude boom, het groene bij de vijver, een stenen bankje tussen de rozen en nog eentje waarop Lijf na een tijdje languit moest gaan liggen omdat het licht langzaam begon uit te gaan.
"Sorry," zei Lijf.
"Waarvoor?"
"Dat ik alweer moe ben."
Hoofd wilde bijna zeggen dat ze nog maar pas onderweg waren. Het keek naar het pad dat verder tussen de bloemen liep, naar alles wat daarachter misschien nog te zien was, en daarna naar Lijf dat stil op het bankje lag. Boven hen schoven een paar wolken langzaam langs de hemel.
"Geeft niet," zei Hoofd.
En voor één keer meende het dat ook.
Na een tijdje stonden ze weer op en gingen verder. Niet ver. Tot het volgende bankje misschien, en daarna nog eentje. Ze zagen rozen en vijvers, een boom waarvan de takken bijna de grond raakten en een vlinder die kennelijk nergens naartoe hoefde.
Toen keerden ze om.
Het was geen grote reis geweest. Er waren geen bergen beklommen, geen draken verslagen en niemand zou er ooit een standbeeld voor oprichten. Maar toen ze die avond thuiskwamen, waren Hoofd en Lijf moe op een manier die ze allebei bijna vergeten waren: moe omdat ze iets moois hadden gedaan.
"We moeten naar bed," zei Lijf die avond.
"Dadelijk," antwoordde Hoofd. Het bleef bij het raam zitten terwijl buiten de huizen één voor één donker werden.
De klok sloeg twaalf uur en Lijf begon opnieuw. "Het is laat."
"Ik weet het."
"Morgen moet ik weer van alles."
"Weet ik."
"En als je me nu niet laat slapen, ga ik misschien weer uit."
Hoofd wist dat. Natuurlijk wist het dat. Het wist het zelfs beter dan een paar weken geleden, toen het nog dacht dat een Lijf een soort trouwe knecht was die altijd wel weer opstond wanneer je hem riep. Toch bleef het zitten.
"Waarom?" vroeg Lijf uiteindelijk.
Hoofd keek door de donkere ramen. Het dacht aan de tuin, aan de bloemen, aan al die bankjes waarop ze hadden gezeten en aan het pad dat nog verder liep toen zij al moesten omkeren. Het waren heel gewone dingen geweest. Misschien waren het juist daarom zulke kostbare dingen. Want gewone dingen hebben de vervelende gewoonte dat je pas merkt hoe bijzonder ze zijn wanneer ze een tijdlang niet meer gewoon zijn.
"Omdat ik je gemist heb," zei Hoofd zacht. "En nu je er weer bent, wil ik nog niet dat deze dag voorbij is."
Daar had Lijf geen antwoord op. Dus zaten ze nog wat samen in het donker. De klok tikte en ergens buiten ruiste de wind door een boom. Na een tijdje sloeg ze één uur. Later twee.
Toen stond Hoofd eindelijk op. "Kom. We gaan slapen."
Maar onderweg naar de slaapkamer kwamen ze langs de wasmand. Hoofd bleef staan. Lijf ook. Ze keken naar de was.
"Nee," zei Lijf.
"Alleen even ophangen."
"Nee."
"Dan is het morgen droog."
Lijf zuchtte zo diep dat zelfs de longen zich ermee bemoeiden, maar even later stonden ze midden in de nacht samen sokken, broeken en een veel te groot laken op te hangen. Hoofd gaf de wasknijpers aan en Lijf deed het werk, zoals dat eigenlijk al hun hele leven ging.
Pas daarna kropen ze onder de dekens. Hoofd deed het licht uit en een tijdje was het stil.
"Lijf?
"Hm?"
"Morgen doen we rustig aan."
Er klonk iets onder de dekens. Heel zacht. Het zou een zucht geweest kunnen zijn.
Maar waarschijnlijk was het een lachje.
Ze kenden elkaar tenslotte al hun hele leven.