In de lente kom ik thuis

In de lente kom ik thuis

Naar huis

Het was op een zondagochtend. Alweer.

Er was een week voorbij gegaan in een soort schemerige wereld van mijn isolatie.

Een mooie voorjaarszon scheen langs de Peperbus mijn kamer in.

Misschien zou het nu eindelijk lente worden? Hoewel ik van achter het glas al veel zonnen had zien opkomen en ondergaan, begreep ik van de buitenwereld dat het nog erg koud was.

Het leek erop alsof ik mij iets beter begon te voelen. Ik sliep niet meer zo’n beetje de hele dag. Ik lag soms zelfs opeens uren wakker. Alsof ik alle slaap had opgebruikt. Mijn dochters en vriendin kwamen in de ochtend op bezoek en bemerkten direct mijn veranderende staat.

Zo tegen het eind van de ochtend kwam mijn hematoloog -met zijn gevolg- binnen (is deze man nooit vrij?)

Met een grote glimlach bracht hij het goede nieuws: de lab-waarden begonnen te stijgen. Dat betekende dat mijn premature stamcellen aan het werk waren en heel gestaag mijn lichaam weer voorzagen van witte bloedcellen en dus weerstand.

Eindelijk.

Opluchting! Terwijl de tranen over onze wangen liepen; alweer. Ik begon bijna te geloven dat ik ook mijn tranen voor de rest van mijn leven wel opgebruikt moest hebben, besefte ik mij dat ik mijn langste tijd hier had gehad.

Mijn jonge nieuwe stamcellen deden precies wat ze moesten doen. De schoorsteen rookte weer (heel licht weliswaar).

Helaas lag ik nog wel in isolatie. Dus terug naar het beenmergplein om mijn bloedzusters en broeders te ontmoeten zat er nog niet bij.

‘Maar,’ zei mijn hematoloog gewichtig. Zo’n ‘maar’ waarvan je er een paar in je leven hoort. Zo’n maar waarvan je automatisch in de opperste paraatheid schiet.

Ondanks dat mijn hematoloog mij de afgelopen maanden bleef waarschuwen en confronteren met de werkelijkheid. -Dat ik nog niets zou kunnen en dat dat wel maanden of jaren kon duren- Voelde ik dat deze ‘maar’ een andersoortige was.

Maar.’

‘Als je een dikke trui aandoet, een mondkapje op, en afstand van mensen houdt, mag je vanmiddag naar buiten.’ Wij begonnen alle vier nog harder te huilen.

Ik. Mocht. Eindelijk. Buitenlucht. Inademen!

Voor het eerst in weken, de echte zon op mijn gezicht voelen.

Tegelijkertijd had hij nog meer goed nieuws:

‘Als het beter zou gaan met eten…- beter-… Ik had net de zondagochtend-cake met slagroom weer uitgebraakt.

Als… dan mocht ik woensdag misschien naar huis.

Ik denk dat ik zong in plaats van praatte:

‘Ja dokter, natuurlijk dokter; ja het eten gaat echt al veel beter.’

De verpleegkundige ving mijn blik en hield wijselijk haar mond, wat ook de enige goede reactie was. Ze had ongetwijfeld de arts van tevoren al gebriefd.

De duisternis om mij heen waarin ik geen enkele vorm, deur of uitgang zag werd opeens een stuk lichter. Alleen die ene hobbel nog.

Ter plekke legde ik dat naast mij neer in het laatje; van latere zorg.

Mijn dochters en vriendin legden kleren met een hoog hoodie gehalte klaar, voordat zij naar huis gingen.

In de middag kwam een andere vriendin met haar man. Deze vriendin, die een paar dagen daarvoor nog naast mij, in mijn half comateuze toestand had gezeten, had de primeur om met mij naar buiten te gaan.

De verpleegkundige van de late dienst had al een rolstoel klaargezet.

Toen ging eindelijk de deur van mijn isolatie kamer open en zag ik op het beenmergplein de jongeman met Leukemie. Hij was blij verrast dat er eindelijk leven uit mijn kamer kwam. Ik ook!

Ik wilde hem graag spreken, maar ik mocht hem niet besmetten, dus mijn vriendin loodste mij in een behoorlijk tempo door alle klapdeuren de afdeling af.

Na flink wat zonnebrand, kon het feest echt beginnen. Het was maar goed dat mijn vriendin en haar man met z’n tweeën waren, want mijn infuuspaal was net een kerstboom met alle zakken infuus en die 3000 kilocalorieën voeding.

De rit naar buiten ga ik nooit meer vergeten. Onbeschrijfelijk. Na al die weken afgesloten te zijn geweest van de wereld, was ik opeens weer onderdeel van de wereld. Niet echt een serieus onderdeel, maar wel een passant in een rolstoel.        

De bakken met tropische planten weerkaatsten in het zonlicht en geurden licht vochtig. Het licht stroomde de ramen binnen en de verschillende kleuren waar het gebouw mee was afgewerkt, kleurden kleurrijker dan ooit tevoren.

Uiteindelijk kwamen we buiten: ik rook de zon, de lente en het gras. Ik voelde hoe de lente zich door mijn hele lichaam verspreidde en de ‘hoop’ die ik nooit helemaal was verloren werd weer groter.

‘Ik kom thuis in de lente.’ herhaalde ik mijn eigen woorden die ik al zo vaak gesproken had toen ik in de winter het ziekenhuis inging.

Het was lente!

Nu zou het beter worden, dacht ik.

Een ijsje was nu wel erg passend vonden wij. -Ik- die een ijsje überhaupt nooit kan weerstaan. In mijn nieuwverworven hoogmoed van; ‘nu wordt het beter,’ dacht ik dat het wel kon.

Helaas… Terug op de afdeling ging het alsnog mis, maar dit keer met een rotsvaste overtuiging dat het de laatste keer zou zijn… Het was immers lente.

Ik ging bijna naar huis.

De totale voeding via infuus moest gestopt worden, en ik moest zelf voldoende binnenhouden.

Ik zei tegen iedereen die langskwam: ‘maar thuis gaat het beter.’ In het ziekenhuis was ik sowieso al overal misselijk van. Een soort Pavlov-reactie, maakte ik iedereen en vooral mijzelf wijs.

De grote zakken voeding werden gestopt, en ik at en dronk tegen de klippen op. Het bleef tot het laatste moment spannend of ik wel voldoende binnenhield.

Ik sliep geen moment meer. De uren zijn nog nooit zo traag gegaan. Het leek erop alsof ik zowaar net voldoende binnenhield om niet uitgedroogd te raken. Wanneer het de laatste uren toch misging moffelde ik stiekem alles onder in de prullenbak. Want niets maar dan ook niets kon mij tegenhouden.

Mijn missie werd behaald, op woensdagavond mocht ik naar huis! Alwaar het wellicht beter zou gaan en ik als een soort van wonderbaarlijke genezing opeens alles weer zou kunnen…

Het was immers lente.

 

 

 



 

1 reactie