Wat is…?

Voorkomen van (verergering) van een aanpassingsstoornis

Opslaan

Waar mogelijk moet een aanpassingsstoornis bij patiënten of naasten worden voorkomen. Is er al een aanpassingsstoornis ontstaan, dan is het belangrijk om ervoor te zorgen dat deze niet erger wordt. De zorgverlener speelt hierin een rol, maar de patiënt of naaste zelf ook. 

Wat hierbij kan helpen is:

  • kunnen beschikken over goede, betrouwbare informatie over de ziekte,behandeling, de gevolgen etc.
  • (anders) met stress en veranderingen leren omgaan
  • om hulp en steun vragen bij mensen uit de directe omgeving
  • meer in het hier en nu leven, in gedachten minder bezig zijn met de toekomst

Wat kan de zorgverlener doen?

De zorgverlener geeft u zo goed mogelijk voorlichting over de ziekte, onderzoek en diagnose, behandeling en gevolgen. Ook stelt hij u tijdens de behandeling of daarna gerichte vragen om een mogelijk tekort aan veerkracht op te sporen.

Wat kunt u zelf doen?

U kunt ook zelf dingen doen om een aanpassingsstoornis te voorkomen. Of om te voorkomen dat een aanpassingsstoornis verergert. 

Belangrijk is een gezonde leefstijl. Dit houdt in:

  • gezonde voeding
  • stoppen met roken
  • matig zijn met alcohol en drugs
  • voldoende slapen
  • voldoende bewegen om de conditie zo goed mogelijk te houden of te verbeteren

Wat verder kan helpen om stress te verminderen en de veerkracht te vergroten:

  • gebruik maken van betrouwbare informatiebronnen over kanker zoals kanker.nl of oncoline.nl
  • contact met lotgenoten
  • goede contacten familie en vrienden
  • aandacht voor en bewustzijn van het lichaam vergroten, bijvoorbeeld door mindfulness, yoga en Tai Chi, ademhalings- en ontspanningsoefeningen
  • creatieve en muzikale expressie, bijvoorbeeld door schrijven of schilderen
  • haptonomie: therapie waarin de gevoelsbeleving centraal staat

Over deze pagina

De informatie in de bibliotheek is getoetst door medisch specialisten en andere deskundigen.

Laatste update: september 2016

Dit artikel is geschreven door kanker.nl.

Met medewerking van

Brouwer, T. (ervaringsdeskundige), Dr. Graaf, I. de (overige deskundige), Pet, A. (psycholoog), Dr. Vos, T. (psychiater)