Behandeling

Immunotherapie

Opslaan

Immunotherapie is een behandeling die een afweerreactie tegen kankercellen stimuleert. Deze behandeling versterkt of verandert uw eigen afweersysteem, zodat het de kankercellen beter kan doden. Immunotherapie heet ook wel immuuntherapie.

De behandeling werkt niet direct in op de tumor, zoals bijvoorbeeld chemotherapie, maar is gericht op het afweersysteem zelf. Dit is uniek aan immunotherapie.

Verschillende vormen van immunotherapie

Er bestaan verschillende vormen van immunotherapie. Er wordt veel onderzoek gedaan om nieuwe vormen van immunotherapie te ontwikkelen en bestaande vormen te verbeteren. Een aantal vormen is officieel geregistreerd voor de behandeling van verschillende soorten kanker. Andere zijn nog in ontwikkeling en worden alleen gegeven als experimentele therapie.

De volgende vormen van immunotherapie worden als reguliere behandeling gegeven:

De volgende vormen van immunotherapie zijn nog in ontwikkeling:

  • vaccins
  • TIL therapie
  • T-cel receptor (TCR) gentherapie en CAR T-celtherapie

Over deze experimentele vormen van immunotherapie kunt u meer lezen bij nieuwe ontwikkelingen.

Hoe werkt immunotherapie?

Immunotherapie kan op 2 manieren werken:

  • Het maakt kankercellen zichtbaar voor het eigen afweersysteem.
  • Het versterkt of verandert de activiteit van het eigen afweersysteem.

De meest ontwikkelde vorm van immunotherapie zijn de monoklonale antilichamen. Monoklonale antilichamen zijn eiwitten (afweer- of antistoffen) die in het laboratorium worden ontwikkeld. Ze worden zo gemaakt dat ze specifieke eiwitten op de buitenkant van kankercellen kunnen herkennen en eraan binden. Deze eiwitten zijn vaak betrokken bij communicatie tussen verschillende cellen. Na binding aan deze eiwitten hebben monoklonale antilichamen 1 of allebei van de 2 bovenstaande werkingen: 

  • Of uw eigen afweercellen binden aan de antilichamen op de kankercellen. Hierna kunnen de afweercellen de kankercellen vernietigen. 
  • Of de antilichamen versterken het eigen afweersysteem.

Cytokinen (en veel van de andere vormen van immunotherapie, waaronder ook de experimentele vormen) werken op de 2e manier. Ze versterken of veranderen de activiteit van het eigen afweersysteem tegen de kankercel.

Afweersysteem

T-cellen zijn afweercellen die een belangrijke rol spelen binnen het afweersysteem, ook wel immuunsysteem genoemd. Deze T-cellen herkennen kleine stukjes eiwit aan de buitenkant van cellen die anders zijn dan bij normale cellen. Cellen die geïnfecteerd zijn met een virus hebben bijvoorbeeld zulke stukjes eiwit aan de buitenkant. Deze cellen worden door T-cellen aangewezen als ongezond waarna ze vernietigd kunnen worden.

Op deze manier kunnen de T-cellen soms ook kankercellen herkennen. Kankercellen hebben veranderingen in het erfelijk materiaal, het DNA. Deze veranderingen zorgen voor het afwijkende gedrag van een kankercel zoals het continue blijven delen van de cel. Maar leiden dus ook tot afwijkende stukjes eiwit aan de oppervlakte van de cel.

Helaas ziet het afweersysteem kankercellen vaak als niet gevaarlijk. Ze lijken bijvoorbeeld teveel op gewone cellen of kunnen zich als het ware onzichtbaar maken. Het afweersysteem komt dan niet in actie. Soms reageren T-cellen wel, maar slagen ze er niet in om de kankercellen goed op te ruimen. Bijvoorbeeld omdat de kankercellen signalen geven aan de T-cellen om niet in actie te komen.

Voor een goede afweerreactie door T-cellen tegen kankercellen zijn er 2 dingen nodig:

  • De kankercellen moeten stukjes eiwit laten zien aan hun oppervlakte die anders zijn dan bij gewone cellen. Dit zorgt ervoor dat T-cellen kunnen zien dat het hier niet gaat om gewone cellen.
  • Er moet geen rem zitten op de activiteit van de T-cellen.

Dit zijn precies de 2 eerder genoemde werkingen die immunotherapie kan hebben.

Over deze pagina

De informatie in de bibliotheek is getoetst door medisch specialisten en andere deskundigen.

Laatste update: december 2015

Dit artikel is geschreven door KWF Kankerbestrijding.

Met medewerking van

Dr. Blokland, A. (overige deskundige)