Werken na kanker

Tmc over deze informatie
Als u kanker krijgt, verdwijnt het onderwerp werk vaak naar de achtergrond. Toch blijft het, gewild of ongewild, aandacht vragen. Bijvoorbeeld omdat u niet meer (of beperkt) kunt werken. Hoe gaat u om met werk in zo’n situatie?

Aan het werk blijven of re-integratie kan ten goede komen aan het welbevinden en herstel. Werken kan, naast een inkomen, afleiding bieden en houvast. De aandacht gaat even niet naar de ziekte, maar naar andere zaken. Ook vinden veel mensen het sociale contact met collega’s prettig. Voor mensen die geraakt zijn door kanker kan het ondanks de ingrijpende veranderingen lonen om te blijven werken of weer aan de slag te gaan. Tenminste als de behandeling en het verloop van de ziekte dit toelaat.

Gevolgen van kanker op werk

De vraag is hoe u dit aan kunt aanpakken? Het is makkelijker gezegd dan gedaan. Zelfs als u genezen bent verklaard, kunt u nog veel last hebben van zowel lichamelijke als psychische klachten. Klachten die kunnen optreden tijdens het werk.

Lichamelijke bijwerkingen

Als u de diagnose kanker krijgt, begint u meestal meteen met de behandeling: een intensieve periode met chemokuren, bestralingen of operaties. Door de bijwerkingen van deze therapieën, zoals vermoeidheid, kan werken lastig worden.

De behandelingen kunnen zorgen voor algehele malaise, misselijkheid, haarverlies en vermoeidheid. Ook kunnen ze hormonale proble­men veroorzaken. Hormonaal gevolgen zijn: onvruchtbaarheid, een vervroegde overgang, opvliegers, stemmingswisselingen, geheugenproblemen, gewichtsproblemen en botontkalking.

Vermoeidheid

Vermoeidheid is een bijwerking die vaak voorkomt bij kankerbehandelingen. Soms kan een te laag Hb-gehalte ook vermoeidheid veroorzaken. De vermoeidheid verdwijnt zodra het Hb-gehalte weer hoger is. Ook een te lang­zaam werkende schildklier (hypothyreoïdie), kan zorgen voor vermoeidheid. Het komt vaak voor bij behandelingen, vooral bestralingen, in de hals. Bij de meeste mensen die kanker heb­ben (gehad), verdwijnt deze bijwerking uiteindelijk. Er blijft echter een groep die last houdt van extreme vermoeidheid na kanker (langer dan 2 jaar). Voor deze mensen kan zogenaamde cognitieve gedragstherapie een oplossing zijn.

Wat kunt u doen:

  • Vraag uw behandelend arts of een te laag hb-gehalte of een te langzaam werkende schildklier bij u vermoeidheid veroorzaakt.
  • Vraag patiëntenorganisaties en de patiëntenbeweging Levenmetkanker om tips en informatie over het omgaan met vermoeidheid.

Een goede lichamelijke conditie helpt om de behandelingen betert te doorstaan. Als u in beweging blijft kan dat een positief effect hebben op uw welbevinden. Ook  later als u het werk hervat, heeft u hier baat bij.

Psychosociale problemen

Gevoelens van angst, somberheid en verdriet zijn een natuurlijke reactie op de diagnose kanker. Soms kunnen ze uitmonden in een angststoornis of depressie.

Wat kunt u doen:

  • Verdiep u in de behandeling die u ondergaat en welke bijwerkingen er zijn.
  • Praat met uw oncologieverpleegkundige, behandelend arts of huisarts over uw gevoelens. Vraag eventueel om een doorverwijzing naar een psychosociale zorgverlener, bijvoorbeeld een maatschappelijk werker of psycholoog. 
  • Neem contact op met een patiëntenorganisatie. 
  • Lotgenoten kunnen tips geven over omgaan met gevolgen van kanker en de behandelingen.
  • Vul de lastmeter in om uw behoeften te peilen. De informatie kunt u gebruiken in gesprek met uw hulpverlener.

Doneer je ervaring

Een kwart (24%) van de werknemers die herstelt van kanker, krijgt uiteindelijk ontslag. Dat blijkt uit onderzoek van EenVandaag en de patiëntenbeweging Levenmetkanker. Met behulp van de vragenlijst Doneer je ervaring wil de patiëntenbeweging Levenmetkanker te weten komen hoe mensen na de diagnose kanker weer aan het werk gaan. De resultaten gebruiken ze om de belangen van werknemers met kanker beter te behartigen. Meer informatie over Doneer je ervaring.

Feiten en cijfers over kanker en werk (pdf)

Levenmetkanker heeft een overzicht gemaakt met feiten en cijfers over werk en kanker.